Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
In Glarus is de aardkorst over zichzelf heen geschoven
Glarus is volgens de eigen kantonscijfers met ongeveer 685 vierkante kilometer en rond de 41.000 inwoners een van de kleinste kantons van Zwitserland, en het bestaat sinds 2011 uit maar drie gemeenten. Het kanton is opgebouwd uit twee dalen: het Linthdal met Linthal achterin en het Sernftal met Elm.
Het bekendste geologische verschijnsel van het land ligt hier in de bergwand. Gesteente van rond de 250 miljoen jaar oud is over veel jonger gesteente heen geschoven, en die lijn snijdt kilometerslang dwars door de rots. Dit artikel behandelt de valleien, de dorpen en de bergen, met hoogtes, prijzen en seizoenen.
De Glarner Hauptüberschiebung is vanaf de weg te zien
De schuiflijn tussen de twee gesteentelagen loopt over tientallen kilometers door de wanden en is vanaf de weg met het blote oog te volgen als een donkere streep. Het gebied heet Tektonikarena Sardona en is sinds 2008 UNESCO-werelderfgoed.
Kijken kost niets. Bij de uitkijkpunten staan borden met uitleg en er lopen geologische routes van 5 tot 15 kilometer. Dit is een van de weinige plekken ter wereld waar zo'n verschuiving zo scherp zichtbaar is, en daarom staat deze vallei in vrijwel elk aardrijkskundeboek. De Via Glaralpina, een route in ruim twintig etappes rond het kanton, volgt hem over grote afstand.
Braunwald is alleen met de kabelspoorbaan bereikbaar
Op ongeveer 1.250 meter ligt Braunwald, waar geen autoweg naartoe gaat. Je parkeert in Linthal in het dal en gaat omhoog met een kabelspoorbaan die sinds 1907 rijdt; de rit duurt zeven minuten.
Een retour kost 15 tot 25 frank. In het dorp rijden alleen elektrische karretjes en je bagage gaat mee met de baan naar het hotel. Daardoor is het er stil, ook in het hoogseizoen. Let op dat de laatste baan rond acht uur 's avonds gaat, want daarna kom je er niet meer in of uit. Vanaf het dorp loopt de Panoramaweg vrijwel vlak langs de helling, met de Tödi van 3.614 meter, de hoogste berg van het kanton, recht tegenover je.
Bij Elm schijnt de zon door een gat in de rots
Boven Elm in het Sernftal zit in de kam van de Tschingelhörner een natuurlijk gat van zo'n twintig meter, het Martinsloch. Twee keer per jaar, rond 12 en 13 maart en rond 30 september en 1 oktober, staat de zon zo dat het licht er precies doorheen op de kerktoren van Elm valt, ongeveer twee minuten lang.
Kijken kost niets, maar je moet er vroeg zijn: het gebeurt kort na zonsopgang en er komen honderden mensen op af, waardoor parkeren in het dorp dan een probleem is. De rest van het jaar is het gat gewoon een opening in de rots, zichtbaar vanaf het dorpsplein en vanaf de paden eromheen. Uit Elm komt ook het mineraalwater dat in heel Zwitserland in de schappen staat.
De Klöntalersee ligt ingeklemd onder de Glärnisch
In het Klöntal op ongeveer 850 meter ligt de Klöntalersee, een stuwmeer van ruim vijf kilometer lang dat sinds 1908 wordt opgestuwd, met aan de zuidkant de steile wand van de Glärnisch van bijna 2.900 meter.
De oevers zijn gratis toegankelijk en parkeren kost enkele franken. Het water haalt in juli en augustus 18 tot 21 graden. Rondom loopt een pad van ongeveer twaalf kilometer, vlak en met uitzicht op de wanden. Let op dat het peil van een stuwmeer wisselt en dat de oevers steil zijn: zwem bij de aangegeven plekken en niet bij de dam. Verder het dal in ligt bij Tierfehd de Berglistüber, een waterval waar je achterlangs kunt lopen.
De streek leefde van textiel en leisteen, niet van toerisme
In de negentiende eeuw stonden er in deze dalen tientallen fabrieken die bedrukte katoenen doeken maakten voor de export tot in Afrika en Azië; dat Glarner tüechli is een streekproduct gebleven. De fabrieksgebouwen en arbeidershuizen staan er nog, onder meer in Schwanden, waar in augustus 2023 een aardverschuiving een deel van het dorp trof.
In Engi kun je de Landesplattenberg in, een voormalige leisteenmijn waar je met een gids en een lamp naar binnen gaat. Entree van de musea in de streek ligt tussen 8 en 15 frank, met openingstijden die vaak beperkt zijn tot een paar middagen per week; kijk dat na voordat je rijdt. De schabziger, een harde kaas met klaverkruid die hier sinds de vijftiende eeuw wordt gemaakt, komt uit dezelfde traditie, naast de gewone Alpkäse van de zomerweiden.
De Klausenpas ligt op 1.948 meter
Vanuit Linthal klimt de Klausenpas in haarspeldbochten naar 1.948 meter, met uitzicht over de hele vallei, en zakt daarna naar Uri. Rijden kost niets en er rijdt in de zomer ook een postbus overheen.
De pas is doorgaans van juni tot oktober open en ligt in de winter dicht onder de sneeuw. Onderweg staan almhutten waar je voor 15 tot 25 frank eet. Voor fietsers is het vanaf het dal ongeveer 1.300 hoogtemeters, wat hem tot een van de zwaardere klims van de regio maakt. Aan de andere kant van het kanton loopt de weg over de Kerenzerberg met uitzicht op de Walensee.
In Glarus wordt nog met opgestoken hand gestemd
Elk jaar op de eerste zondag van mei komen enkele duizenden stemgerechtigden op het Zaunplatz in het stadje Glarus bijeen en stemmen ze over wetten en begroting door hun hand op te steken. Samen met Appenzell Innerrhoden is dit de laatste plek in Zwitserland waar dat zo gaat; het kanton verlaagde in 2007 als eerste de stemleeftijd naar zestien.
Toekijken is gratis en toegestaan, je staat aan de rand van het plein. Het duurt een halve dag en gaat volledig in het Zwitserduits, dus je verstaat er weinig van als je geen Duits kent. Sankt Fridolin, de beschermheilige die het kanton zijn vlag gaf, staat er op elk vaandel.
Praktisch
Vanaf Zürich ben je er met de trein in ongeveer een uur en een kwartier; vanuit Nederland rijd je acht tot tien uur. Voor de Zwitserse snelwegen heb je een vignet nodig van 40 frank. Zwitserland betaalt met de frank, en al nemen veel zaken euro's aan, de koers die je dan krijgt is ongunstig. In de dalen hebben Linthal, Schwanden en het stadje Glarus een station aan dezelfde lijn.
Juni tot oktober is het wandelseizoen, met 15 tot 26 graden in de dalen en open hutten en bergbanen. In de winter draaien er kleine skigebieden bij Braunwald en Elm, terwijl de Klausenpas dicht is en de hoge paden in de Alpen onbegaanbaar zijn.