Op de muren van Florence staat hoe hoog het water in 1966 kwam
Foto: Jonathan Körner / Unsplash
Op 4 november 1966 trad de Arno buiten zijn oevers en stond het water volgens de stad in delen van de binnenstad meters hoog, tot in de Basilica di Santa Croce waar het ruim vier meter kwam. Op tientallen gevels zijn plaquettes aangebracht die de waterlijn markeren, soms ver boven ooghoogte.
Wie daarop let, ziet de stad anders. Dit artikel behandelt de wandelroutes door het centrum en langs de Lungarni, met afstanden, klimtijden en de momenten waarop het er te doen is.
De Ponte Vecchio is de enige die 1944 heeft overleefd
Foto: Osviel Rodriguez Valdés / Pexels
Bij de terugtocht in augustus 1944 werden alle bruggen over de Arno opgeblazen, op één na. De Ponte Vecchio uit 1345 staat er nog, met winkels aan weerszijden die sinds een decreet van Ferdinando I in 1593 aan goudsmeden zijn voorbehouden; daarvoor zaten er slagers. De Ponte Santa Trinita en de Ponte alla Carraia ernaast zijn naoorlogse herbouw.
Boven de winkels loopt de Corridoio Vasariano, die het Palazzo Vecchio met het Palazzo Pitti verbindt en die Vasari in 1565 aanlegde zodat de Medici ongezien konden oversteken; sinds 2024 is hij weer op reservering te bezoeken. De brug zelf is gratis en vrijwel altijd druk; voor acht uur 's ochtends sta je er alleen.
In de Oltrarno begint de rustige helft van de stad
De Oltrarno op de zuidoever heeft smallere straten, ambachtswerkplaatsen en pleinen waar bewoners zitten in plaats van bezoekers. Vanaf de Ponte Vecchio loop je er in vijf minuten in, en het scheelt onmiddellijk in drukte.
Rond de Piazza Santo Spirito en in de Via dei Serragli zitten meubelmakers, vergulders en restaurateurs die hun deuren openhouden en waar je naar binnen kunt kijken. Een rondje door de wijk naar San Frediano is ongeveer twee kilometer en vult een ochtend, met koffie op een plein waar geen enkele rij staat.
Het Piazzale Michelangelo ligt honderd meter hoger
Vanaf de Porta San Niccolò klim je in twintig tot dertig minuten naar het Piazzale Michelangelo, dat over de hele stad uitkijkt, via de trappen of via de Rampe del Poggi, de hellingbaan die Giuseppe Poggi in de jaren zestig van de negentiende eeuw aanlegde. Toegang is gratis, en halverwege ligt de Giardino delle Rose met uitzicht en beelden.
Bij zonsondergang staat het er vol en rijden er bussen naartoe. Een uur eerder heb je hetzelfde licht met de helft van de mensen. Neem water mee; de klim is in de zomer zwaar en er is onderweg weinig schaduw.
Boven dat terras staat San Miniato al Monte
Nog eens tien minuten klimmen brengt je bij San Miniato al Monte, met een gevel van groen en wit marmer waarvan de oudste delen uit de elfde en twaalfde eeuw stammen. De kerk staat op het hoogste punt en is aanzienlijk rustiger dan het terras eronder.
Toegang is gratis. In de late middag zingen de benedictijnen er gregoriaans; dat is vrij toegankelijk en duurt ongeveer een half uur. Vanaf het monumentale kerkhof ernaast heb je hetzelfde uitzicht als van het Piazzale, maar dan zonder de menigte.
Het Parco delle Cascine ligt stroomafwaarts
Foto: Engjell Gjepali / Unsplash
Ten westen van het centrum loopt langs de Arno het Parco delle Cascine, ongeveer 130 hectare dat ooit jachtterrein van de Medici was en nu de plek is waar de stad hardloopt en fietst. Op dinsdagochtend staat er een grote markt.
Het is vlak, er staan bomen en het is gratis. Vanaf de Stazione Santa Maria Novella ben je er in een half uur lopen langs de kade, of sneller met de tram. Voor een ochtend zonder monumenten en zonder entree is dit de aangenaamste route van de stad.
De Boboli- en Bardini-tuinen kosten wel entree
Achter het Palazzo Pitti ligt de Giardino di Boboli uit de zestiende eeuw, met terrassen, lanen en beelden op de helling. Ernaast ligt de kleinere Giardino Bardini, met een trappenpartij onder een blauweregenpergola die op de stad uitkijkt.
Een combikaart kost rond de 10 euro en de tuinen zijn doorgaans van dinsdag tot zondag open, met langere tijden in de zomer. Reken op twee uur. Er is nauwelijks schaduw op de hoger gelegen delen; ga in de ochtend, want dit is in juli een van de warmste plekken van de stad.
Wanneer je loopt en waar je op let
Let op: in juli en augustus is het overdag 33 tot 38 graden en zijn de straten in het centrum smal en warm. Loop voor tien uur of na zes uur; in de middag zit je binnen, in de Uffizi, de Duomo of Santa Croce. Er staan drinkfonteinen met gratis water op verschillende pleinen.
Verder is de historische kern verboden gebied voor auto's zonder ontheffing, met camera's die dat controleren. Wie met een huurauto komt, parkeert in een garage aan de rand. De boetes komen maanden later thuis, met administratiekosten erbovenop.
Praktisch
De luchthaven Amerigo Vespucci heeft een tram naar het centrum in twintig minuten, en Santa Maria Novella ligt aan de hogesnelheidslijn met Rome op anderhalf uur en Milaan op twee uur. Vanuit Nederland vlieg je in ongeveer twee uur. Italië betaalt met de euro.
April, mei, september en oktober zijn de aangenaamste maanden met 18 tot 26 graden. Juli en augustus zijn heet en druk; januari en februari zijn koel maar leeg, en dan kom je zonder reservering de musea binnen. Voor de Uffizi en de koepel van Santa Maria del Fiore is een tijdslot in het hoogseizoen wel noodzakelijk.