Foto: David Vives / Unsplash
In het noorden liggen de Pyreneeën met de Monte Perdido van 3.355 meter en de Ordesa-kloof, die met de Franse kant sinds 1997 op de werelderfgoedlijst staat. In het midden liggen de Monegros, een steppegebied waar minder regen valt dan in delen van Noord-Afrika.
Die twee liggen op ongeveer twee uur rijden van elkaar en vragen een totaal andere voorbereiding. Dit artikel behandelt ze allebei, met afstanden, hoogtemeters en de regels die er gelden.
In het hoogseizoen kom je het dal niet in met de auto
Het Parque Nacional de Ordesa y Monte Perdido werd in 1918 ingesteld en is daarmee een van de oudste van Spanje. Met Pasen en van juli tot half september is de weg naar de Pradera de Ordesa afgesloten voor particulier verkeer en rijdt er vanaf Torla een pendelbus.
Die bus kost rond de 5 euro retour en rijdt vanaf een uur of zes 's ochtends. Parkeren doe je bij Torla. Wie dat niet weet, staat voor een slagboom en verliest een ochtend. Buiten die periode kun je tot de Pradera rijden, die dan vaak voor negen uur vol is.
De klassieke route eindigt bij de Cola de Caballo
Vanaf de Pradera loopt een pad langs de Río Arazas door het dal naar de Cola de Caballo, de waterval die als een paardenstaart over de rots valt in het Circo de Soaso. Heen en terug is dat ongeveer 18 kilometer met zo'n 550 hoogtemeters, wat zes tot zeven uur kost.
Het pad is breed en goed te doen, met stukken bos en open weiden. Onderweg liggen de cascades van Arripas, La Cueva en Estrecho. Neem twee liter water per persoon mee; er zijn bronnen maar niet overal. Vertrek voor negen uur, want in juli en augustus lopen hier honderden mensen.
De fajas zijn niet voor iedereen
Foto: Pablo Varela / Unsplash
Boven het dal lopen de fajas, paden over natuurlijke richels in de wand, honderden meters boven de bodem. De Faja de las Flores loopt over ongeveer 3 kilometer en is op sommige stukken nog geen meter breed, met een val van honderden meters ernaast en op enkele plekken kettingen in de rots; de hele lus is 20 kilometer met ruim 1.200 hoogtemeters en kost acht tot tien uur.
Let op: dit is geen wandeling maar een tocht die duizelingwekkend is en waar je vrij van hoogtevrees voor moet zijn. Er zijn dodelijke ongevallen gebeurd. De Faja de Pelay aan de andere kant van het dal is breder en aanzienlijk minder blootgesteld; die is een goed alternatief met dezelfde uitzichten.
Het balkon van Calcilarruego kost 1.200 hoogtemeters
Vanaf de dalbodem klimt de Senda de los Cazadores in serpentines naar het balkon van Calcilarruego, met zicht over de hele vallei en op de bergkam aan de Franse kant; terug gaat het over de Faja de Pelay. Reken op 1.100 tot 1.300 hoogtemeters en vijf tot zeven uur voor de hele lus.
Het is de zwaarste dagtocht die zonder klimuitrusting te doen is. Boven sta je op ongeveer 2.000 meter, waar het ook in augustus koel en winderig is. In juni ligt op de hoogste stukken soms nog sneeuw; informeer bij het bezoekerscentrum in Torla voordat je vertrekt.
De Añisclo-kloof is stiller dan Ordesa
Ten zuiden van de hoofdvallei ligt de Añisclo-kloof, met de Río Bellós, kalkwanden en bos, bereikbaar over een smalle bergweg vanaf Escalona. Er komen aanzienlijk minder mensen dan in het hoofddal, deels doordat de toegangsweg lastig is.
De routes zijn er 8 tot 14 kilometer met 400 tot 700 hoogtemeters, met de kluizenaarskapel San Úrbez als vast doel. Voor wie het park zonder rijen wil zien, is dit de betere ingang; houd er wel rekening mee dat de weg ernaartoe smal is en bij tegenliggers achteruitrijden vraagt.
De Monegros zijn geen woestijn maar wel bijna
In het dal van de Ebro liggen de Monegros, ruim 2.700 vierkante kilometer waar per jaar 300 tot 400 millimeter regen valt, met zoutmeertjes, kale heuvels en velden. Het is een van de droogste streken van Europa en het landschap oogt Noord-Afrikaans; bij Jubierre staan de badlands met hun torens van mergel.
Er leven vogelsoorten die je elders in Europa nauwelijks ziet, waaronder zandhoenders en steppeleeuweriken; Peñalba en Bujaraloz zijn de dorpen waar de routes beginnen. Vogelaars komen er in het voorjaar. Er zijn eenvoudige routes en enkele observatiehutten; toegang is gratis en er is nauwelijks bewegwijzering.
Daar wandel je alleen in het juiste seizoen
Let op: in juli en augustus loopt het in dit gebied op naar 40 graden, is er geen schaduw, geen water en geen bereik op sommige stukken. Wandelen is dan onverantwoord; ook plaatselijke gidsen gaan er in die maanden niet lopen.
Maart, april, oktober en november zijn de maanden om te gaan, met 15 tot 24 graden. Neem ook dan minstens twee liter water per persoon mee, vertel iemand waar je loopt en rijd met een volle tank: tussen de dorpen liggen tientallen kilometers zonder voorziening.
Praktisch
Foto: Marco Montero Pisani / UnsplashZaragoza heeft een luchthaven en ligt aan de hogesnelheidslijn tussen Madrid en Barcelona; vanaf daar is het ongeveer twee uur rijden naar de Monegros en tweeënhalf tot drie uur naar Torla, via Huesca en Broto. Een auto is in beide gebieden nodig. Spanje betaalt met de euro.
Voor het hooggebergte loopt het seizoen van eind juni tot half oktober; daarbuiten liggen de hoge paden onder sneeuw. Voor de steppe geldt precies het omgekeerde: die doe je in het voorjaar en het najaar. Berghutten in het park vragen 40 tot 60 euro met halfpension en zijn in augustus vol.