Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Zweden heeft dertig nationale parken en ze verschillen enorm
Foto: Jessica Pamp / Unsplash
De eerste negen werden in 1909 aangewezen, als eerste in Europa. Sindsdien is het uitgegroeid tot een net dat loopt van hoogalpien terrein boven de poolcirkel tot Kosterhavet, het zeepark met eilanden voor de westkust.
Wat ze gemeen hebben is dat toegang gratis is. Wat ze niet gemeen hebben is bereikbaarheid: Tyresta is met het openbaar vervoer van Stockholm te doen, Sarek vraagt dagen lopen. Dit artikel zet ze op die volgorde.
Abisko in het noorden is het best bereikbare bergpark
Aan de Malmbanan tussen Kiruna en Narvik ligt Abisko, met een station aan de rand, wat het ongewoon eenvoudig bereikbaar maakt voor een gebied boven de poolcirkel. Bij het Abisko Turiststation begint de Kungsleden, het pad dat over 440 kilometer zuidwaarts naar Hemavan loopt, en vanaf het meer kijk je door de Lapporten, de U-vormige bres die het landijs in de bergkam sleet.
Het park ligt in de regenschaduw van de bergen en heeft daardoor opvallend veel heldere nachten, wat het tot een van de beste plekken voor noorderlicht maakt; een stoeltjeslift brengt je naar een uitzichtstation op de Nuolja. Het seizoen voor wandelen loopt van eind juni tot september.
Sarek heeft geen paden en geen bruggen
Sarek beslaat ongeveer 1.970 vierkante kilometer, heeft meer dan tweehonderd toppen boven de 1.800 meter en zo'n honderd gletsjers, en er is bewust geen infrastructuur aangelegd: geen gemarkeerde paden, geen hutten, geen bruggen over de rivieren. Het vormt met Padjelanta en Stora Sjöfallet het Laponia-werelderfgoed, dat sinds 1996 ook de rendierhoederij van de Sami beschermt, en middenin kronkelt de Rapaälven door zijn delta.
Dat maakt het het zwaarste terrein van het land en uitdrukkelijk niet geschikt voor een eerste trektocht. Wie erheen gaat, kan navigeren, doorwaadt rivieren en draagt alles mee. Wie de delta wel wil zien zonder het park in te trekken, loopt de Padjelantaleden of klimt op de Skierfe aan de rand. Let op: hulp is er dagen ver weg en het mobiele bereik is grotendeels afwezig.
Tyresta ligt op een half uur van Stockholm
Ten zuiden van de hoofdstad ligt Tyresta, een oerbos met dennen van meer dan driehonderd jaar, op nog geen twintig kilometer van het centrum en met het openbaar vervoer in ongeveer een uur bereikbaar.
Er lopen gemarkeerde routes van 3 tot 15 kilometer over rotsruggen en langs meertjes, en bij de ingang staat het bezoekerscentrum dat alle dertig parken van het land uitlegt, een goede eerste stop van een reis. In 1999 woedde hier een grote bosbrand; op die plek is te zien hoe een bos zich in decennia herstelt.
Tiveden is rotsblokken en spleten
Tussen het Vänern en het Vättern, de twee grootste meren van het land, ligt Tiveden: een bos vol reusachtige keien die door het landijs zijn achtergelaten, met spleten, grotten en steile hellingen ertussen. Het gebied gold eeuwenlang als ontoegankelijk grensland, en de Trollkyrka-route voert langs de rotskloof waar volgens de overlevering in het geheim werd samengekomen.
De routes zijn kort maar zwaar: 2 tot 10 kilometer met veel klauteren over stenen. Er is een parkeerterrein met bezoekerscentrum en het park is het hele jaar open. In juli is het er druk; buiten de weekenden loop je er alleen. Stevige schoenen zijn hier geen overbodige luxe.
Kosterhavet is het enige zeepark van het land
Voor de westkust bij de Noorse grens ligt Kosterhavet, sinds 2009 het eerste mariene nationale park van Zweden, met de Koster-eilanden, ondiepten en de Kosterfjord-geul waarin koudwaterkoralen groeien. Er zijn ruim zesduizend zeesoorten geteld, meer dan waar ook in Zweedse wateren.
Je komt er met de veerboot uit Strömstad in een half tot driekwart uur; op Sydkoster en Nordkoster zijn auto's niet toegestaan en verplaats je je te voet of met de fiets. Er zijn snorkelroutes met bordjes onder water en boottochten met een bioloog aan boord. Het seizoen loopt van mei tot september, en Göteborg ligt op twee uur rijden.
Skuleskogen ligt aan de Höga Kusten
Halverwege de oostkust ligt Skuleskogen aan de Höga Kusten, de kust die sinds de ijstijd ruim 280 meter is gerezen en daarom sinds 2000 op de werelderfgoedlijst staat. Het bekendste punt is de Slåttdalsskrevan, een kloof van ruim 200 meter lang en 40 meter diep die nog geen 8 meter breed is.
Er lopen routes van 5 tot 18 kilometer, met klimmen over kale rotsruggen en keienstranden die eeuwen geleden nog zeebodem waren. Bij de drie ingangen staan informatieborden en er zijn open hutten om te overnachten. Let op: de stenen velden zijn bij regen glad, en de route naar de kloof heeft een steile trap.
Kullaberg is een reservaat en geen nationaal park
Deze rotsige landtong in het uiterste zuidwesten wordt vaak in rijtjes met nationale parken genoemd, maar heeft die status niet: Kullaberg is een natuurreservaat. Voor bezoekers maakt dat weinig uit, voor de juistheid wel.
Op de punt staat de Kullen-vuurtoren, er lopen klifpaden en er zijn grotten in de wand. Parkeren kost enkele tientallen kronen per dag. In het zuidoosten van Skåne ligt wel een echt nationaal park: Stenshuvud, met een heuvel van 97 meter en een kust van zand en rotsen.
Fulufjället heeft de hoogste waterval van het land
In Dalarna, tegen de Noorse grens, ligt de hoogvlakte van Fulufjället met de Njupeskär, de hoogste waterval van Zweden: 93 meter in totaal, waarvan 70 meter vrije val. Op dezelfde vlakte staat Old Tjikko, een fijnspar waarvan het wortelstelsel op ruim 9.500 jaar wordt geschat.
Er lopen routes van 6 tot 20 kilometer, deels over kale hoogvlakte waar het weer snel omslaat. Er is een bezoekerscentrum bij de ingang en er staan enkele eenvoudige hutten. Het wandelseizoen loopt van juni tot september; daarbuiten is het een gebied voor toertochtgangers op ski's.
Praktisch
Volgens de natuurbeheerder zijn alle nationale parken gratis toegankelijk en geldt er de allemansrätten, het recht van vrije toegang, met per park aanvullende regels over kamperen, vuur en honden; die staan bij de ingangen, en de bezoekerscentra zijn doorgaans van 10.00 tot 16.00 uur open. In de noordelijke parken is een kaart, kompas en volledige uitrusting geen overdrijving maar voorwaarde: naar de dichtstbijzijnde weg is het in Sarek soms 30 kilometer.
Juni tot september is het wandelseizoen; in het noorden begint dat pas eind juni en zijn de muggen in juli hinderlijk. Zweden betaalt met kronen, ongeveer 11 kronen per euro, en een hutnacht bij de Zweedse toeristenbond kost 400 tot 600 kronen. Voor de afgelegen parken is een auto nodig; Abisko, Tyresta en Kosterhavet bereik je ook met trein, bus of boot.