Het landschap van de Val d'Orcia is met opzet zo gemaakt
Volgens de werelderfgoedbeschrijving zijn de glooiende akkers, de losse cipressen en de dorpen op de heuveltoppen het resultaat van een herinrichting die in de veertiende en vijftiende eeuw vanuit Siena werd doorgevoerd, om het land productief en toonbaar te maken. Sinds 2004 staat het als cultuurlandschap op de werelderfgoedlijst.
Dat verklaart waarom het er zo geordend uitziet. De vallei volgt de rivier de Orcia over zo'n 40 kilometer, met de kegel van de Monte Amiata van 1.738 meter als vast baken in het zuiden. Dit artikel behandelt de wandelroutes erdoorheen, met afstanden, klimtijden en de regels rond de bekendste plekken.
De cipressen bij San Quirico staan op privéterrein
Foto: Duc Tinh Ngo / Pexels
De bekendste beelden van deze streek zijn de groep van een stuk of acht cipressen in een akker langs de Via Cassia, de oude rijksweg net buiten San Quirico d'Orcia, en de Cappella della Madonna di Vitaleta, het kapelletje dat op ongeveer drie kilometer richting Pienza in een veld staat. Beide horen bij boerderijen die daar nog gewoon werken; de kapel kreeg in 1884 haar huidige vorm.
Let op: het veld in lopen om dichterbij te komen is niet toegestaan en er staan borden. Fotografeer vanaf de openbare weg; de bekendste standpunten liggen alle langs het asfalt of langs de witte grindweg naar de Podere Belvedere, met parkeerhavens erbij. Ga bij zonsopgang, want dan heb je het licht en staat er nog niemand; twintig minuten later komt de eerste bus.
Pienza is in vier jaar tijd herbouwd
Foto: urtimud.89 / Pexels
Paus Pius II, als Enea Silvio Piccolomini hier geboren, liet zijn geboortedorp tussen 1459 en 1462 door architect Bernardo Rossellino verbouwen tot wat als eerste toepassing van renaissance-stedenbouw geldt. Rond de Piazza Pio II staan vier gebouwen die op elkaar zijn afgestemd: de Duomo Santa Maria Assunta, het Palazzo Piccolomini, het bisschoppelijk paleis en het stadhuis.
Het centrum staat sinds 1996 apart op de werelderfgoedlijst en is in een uur rond te lopen; de tuin en de zalen van het Palazzo Piccolomini kosten rond de 7 euro. Achter de kerk loopt langs de stadsmuur de Via dell'Amore, waar je over de hele vallei kijkt. Koop in de winkels aan het plein de pecorino di Pienza, de schapenkaas waar dit stadje van leeft. Het is er klein en in de zomermiddag vol met bussen; kom voor tien uur of na zes uur.
De route tussen de dorpen is te belopen
De dorpen op de heuveltoppen liggen op 6 tot 12 kilometer van elkaar, verbonden door de onverharde strade bianche die tussen de akkers door lopen. Een etappe kost twee tot vier uur met 200 tot 400 hoogtemeters. San Quirico, Pienza en Monticchiello liggen zo achter elkaar, en bij Castiglione d'Orcia staat de Rocca di Tentennano op een kalkrots boven de vallei, met zicht tot aan de Amiata.
Er loopt bovendien de Via Francigena doorheen, de middeleeuwse pelgrimsroute die aartsbisschop Sigeric van Canterbury in 990 naar Rome aflegde en die nu als langeafstandspad is gemarkeerd. Onderweg is nauwelijks schaduw en er zijn geen kranen; neem twee liter water per persoon mee. Bussen tussen de dorpen rijden een paar keer per dag, wat een enkele etappe mogelijk maakt.
Montalcino en Montepulciano liggen aan weerszijden van de vallei
Op de westelijke heuvel ligt Montalcino, van de Brunello: een wijn van honderd procent Sangiovese Grosso die minstens vijf jaar moet rijpen voordat hij verkocht mag worden, waarvan twee jaar op hout. Op de oostelijke heuvel ligt Montepulciano, van de Vino Nobile, met een hoofdstraat die vanaf de Porta al Prato stevig omhoog loopt naar de Piazza Grande en het Palazzo Comunale, waarvan de toren het uitzicht van de twee is.
Proeverijen bij een domein kosten 15 tot 35 euro per persoon en vragen doorgaans een afspraak. In Montalcino kun je de wallen van de Fortezza uit 1361 op voor een paar euro; buiten het stadje staat de romaanse Abbazia di Sant'Antimo, en onder Montepulciano de koepelkerk San Biagio uit de zestiende eeuw. Vanaf die wallen zie je waar je die dag doorheen hebt gelopen.
Op het dorpsplein van Bagno Vignoni ligt een warmwaterbassin
In Bagno Vignoni, een gehucht van nog geen honderd inwoners midden in de vallei, is het centrale plein geen plein maar een bassin: de Piazza delle Sorgenti, in de zestiende eeuw aangelegd boven de bron en nog altijd gevuld met water van rond de 50 graden. Lorenzo de' Medici en Catharina van Siena kwamen hier al baden.
In dat bassin zelf mag niet worden gezwommen. Onder het dorp loopt het overtollige water door het Parco dei Mulini over kalkterrassen naar de Orcia, en daar mag je wel in; dat is gratis en het hele jaar toegankelijk. Neem slippers mee, want de bodem is scherp. Er zijn daarnaast betaalde badhuizen in hetzelfde dorp, vanaf ongeveer 15 euro voor een dagkaart.
Bij Bagni San Filippo liggen witte kalkformaties in het bos
Aan de zuidkant van de vallei, op de flank van de Monte Amiata, komt bij Bagni San Filippo heet zwavelwater uit de helling dat in de loop van eeuwen witte kalkafzettingen heeft gevormd in de Fosso Bianco, met de grootste formatie die de Balena Bianca wordt genoemd. Er zitten natuurlijke bekkens in het water van 30 tot 40 graden.
Toegang is gratis en er is een parkeerplaats; vanaf daar is het tien minuten lopen door het bos. Het is er in het weekend en in de zomeravond druk. Let op: de bodem is glad en het zwavelwater kleurt sieraden en lichte badkleding aan; laat zilver in de auto.
De Crete Senesi ten noorden zijn een ander landschap
Ten noorden van Pienza begint met de Crete Senesi een gebied waar de bodem uit grijze zeeklei bestaat, met kale koepels, geulen en de steile biancane die door erosie zijn ontstaan en waar vrijwel niets groeit. Het contrast met het groene akkerland ernaast is scherp. Bij Asciano staat in de cipressen de Abbazia di Monte Oliveto Maggiore uit 1313, met de fresco's van Sodoma en Signorelli in de kruisgang; toegang is gratis.
Er lopen onverharde wegen doorheen die goed te belopen en te fietsen zijn, met tochten van 10 tot 20 kilometer. In het voorjaar is het er groen, in de zomer geel en stoffig. Na regen wordt de klei glibberig en plakt hij aan de zolen; dan is het beter een verharde route te kiezen.
Praktisch
Foto: adam rozanski / Pexels
De vallei ligt ongeveer anderhalf uur ten zuiden van Florence en een uur van Siena; er rijden bussen tussen de dorpen maar met beperkte frequentie, dus een auto is praktisch. Het treinstation van Buonconvento op de lijn Siena naar Grosseto is het enige bruikbare zonder overstap. Vanuit Nederland vlieg je in twee uur op Florence of Pisa. Italië betaalt met de euro.
April, mei, september en oktober zijn de beste maanden: 18 tot 26 graden, en in mei staan de klaprozen tussen het graan. In juli en augustus loopt het op naar boven de 35 graden zonder schaduw op de routes; wandelen kan dan alleen voor negen uur. In de winter is het groen en leeg, maar zijn veel restaurants doordeweeks gesloten.