Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Gran Canaria is een continent in het klein
Foto: Miltiadis Fragkidis / Unsplash
Gran Canaria heet volgens de eilandpromotie niet voor niets het miniatuurcontinent: op zo'n 1.560 vierkante kilometer wisselen laurierbossen, hoogvlaktes, een woestijn van duinen en palmravijnen elkaar af. De reden is de hoogte, want vanaf zeeniveau klimt het eiland naar 1.949 meter, en de passaatwind laat de noordkant nat en de zuidkant droog.
Dit artikel reist van het groene noorden via de bergen naar het droge zuiden.
Het noorden is groen en verrassend koel
De noordkant vangt de passaat en daarmee de wolken: rond Moya en Valleseco liggen de laurierbossen, restanten van het oerwoud dat ooit half Macaronesië bedekte, met een luchtvochtigheid die vaak hoger ligt dan die van Nederland. De temperatuur ligt er in de zomer 5 tot 8 graden onder die aan de zuidkust, en de laurierbossen liggen op 600 tot 1.000 meter hoogte.
Hier vindt u de terrasakkers, de bananenplantages en de dorpen die het toerisme grotendeels overslaat. Neem een jas mee; de zogeheten panza de burro, de ezelsbuik van laaghangende bewolking, kan hier dagen blijven hangen terwijl het zuiden in de zon ligt.
De Roque Nublo is de rots in het midden
De Roque Nublo is een vulkanische monoliet van zo'n 80 meter hoog op ruim 1.800 meter hoogte, en het symbool van het eiland. De wandeling erheen vanaf de parkeerplaats bij La Goleta telt ongeveer 1,5 kilometer enkele reis en klimt geleidelijk; reken op 45 minuten.
Boven kijkt u over het complete binnenland, en bij helder weer zie je de Teide op Tenerife aan de horizon. Kom bij zonsopgang of tegen zonsondergang, en houd er rekening mee dat het boven fors kouder en winderiger is dan aan de kust; ook in augustus zakt de temperatuur er 's avonds naar rond de 10 graden.
Guayadeque is de kloof waar mensen in de rots wonen
De Barranco de Guayadeque is de indrukwekkendste kloof van het eiland: een groene snede in de bergen waar al ruim 1.000 jaar voor de Spaanse verovering de oorspronkelijke bewoners, de Canarios, in grotten woonden. Sommige grotwoningen zijn nog bewoond, en er is zelfs een in de rots uitgehakte kapel.
Een klein interpretatiecentrum bij de ingang legt de archeologie uit voor enkele euro's, en verderop in de kloof zitten grotrestaurants waar je letterlijk in de berg eet. De weg door de kloof is smal en doodlopend; ga vroeg, want parkeerplekken zijn er beperkt.
Fataga en het zuiden zijn woestijnachtig droog
Foto: Drew Dizzy Graham / Unsplash
Aan de zuidkant valt de regen weg: rond Fataga en de vallei van de duizend palmen groeien cactussen en dadelpalmen, en de bergwanden zijn kaal en oker. Het witte dorpje Fataga zelf ligt met een paar honderd inwoners als een oase aan de bergweg naar Maspalomas, op zo'n 20 kilometer van de kust.
De rit van San Bartolomé naar de kust is een van de mooiste van het eiland: haarspelden, uitkijkpunten en telkens een ander landschap. Neem water mee, want in de zomer loopt het hier op tot boven de 35 graden en is schaduw schaars.
De duinen van Maspalomas zijn een beschermde woestijn
Aan de zuidpunt liggen de Dunas de Maspalomas, een duingebied van zo'n 400 hectare dat sinds 1987 natuurreservaat is: echte woestijnduinen die door de wind steeds van vorm veranderen, met een lagune en een palmbos aan de rand.
Wandelen mag alleen op de gemarkeerde paden, want de duinen zijn kwetsbaar en de vegetatie herstelt zich traag. De vuurtoren aan het uiteinde uit 1889 is het herkenningspunt. Het strand ervoor is een van de langste van het eiland; loop een kilometer weg van de trappen en de drukte verdwijnt vanzelf.
Las Palmas en Mogán zijn de twee kustgezichten
Las Palmas in het noorden is een echte stad met bijna 400.000 inwoners: het strand Las Canteras is een boog van 3 kilometer die door een natuurlijk rif wordt beschermd, waardoor het water er kalm blijft. De oude wijk Vegueta erachter draagt de koloniale geschiedenis, inclusief het huis waar Columbus zou hebben verbleven.
Puerto de Mogán aan de zuidwestkust is de tegenpool: een klein havenplaatsje met bougainville over de kanaaltjes, waardoor het bijnamen als klein Venetië kreeg. De vrijdagmarkt is er de drukste dag; de rest van de week is het opvallend rustig.
Het westen en de bergdorpen liggen apart
In het noordwesten ligt Agaete met het natuurlijke zwembad Las Salinas en het dal van Agaete, waar op terrassen koffie wordt geteeld, volgens de planters de enige commerciële koffieteelt van Europa. Hoger liggen de bergdorpen Tejeda, op ongeveer 1.050 meter en bekend om zijn amandelbloesem in januari en februari, en Artenara op 1.270 meter, het hoogste dorp van het eiland met woningen in de rotswand. Teror in het noorden heeft houten balkons uit de achttiende eeuw en op zondag een markt. Vanaf Las Palmas rijd je in een uur naar Tejeda over een weg met honderden bochten.
Praktisch en wanneer op het eiland
Een huurauto is hier de sleutel, want alleen zo zie je meer dan één klimaatzone; reken op zo'n 35 euro per dag, en op bergwegen die goed zijn maar veel bochten tellen. De rit van noord naar zuid duurt ongeveer een uur over de snelweg, of ruim twee uur door de bergen.
Het eiland heeft geen slecht seizoen: de kust ligt het hele jaar tussen de 20 en 28 graden en het zeewater tussen 19 en 23. Houd er rekening mee dat noord en zuid op dezelfde dag totaal verschillend weer kunnen hebben; wie in het noorden verblijft en zon wil, rijdt gewoon de bergen over.