Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Overdag lopen en tegen de avond baden werkt hier omdat alles dicht bij elkaar ligt
In Noord-Hongarije liggen de wandelgebieden en de thermaalbaden hooguit een halfuur van elkaar: het Bükk-gebergte en het Zemplén-gebergte leveren de routes, en Miskolctapolca, Mezőkövesd en Sárospatak de baden. Miskolc is het logische middelpunt, op twee uur rijden van Boedapest.
Dat maakt een week mogelijk waarin je elke dag loopt en elke avond in warm water zit. Dit artikel geeft de routes, de baden en de prijzen. Hongarije betaalt met de forint, rond de 400 forint voor een euro.
De hoogvlakte van het Bükk is de wandelkern
Het Bükk Nationaal Park beslaat volgens het parkbestuur ongeveer 43.000 hectare beukenbos op een kalkhoogvlakte. Er lopen gemarkeerde lussen van anderhalf uur tot een hele dag, langs dolines, grotten waar werktuigen van neanderthalers zijn gevonden en randen met uitzicht over de dalen.
Toegang is gratis en de startpunten liggen aan de bergweg vanuit Miskolc en Eger. Reken op 300 tot 600 hoogtemeters per dagtocht. Neem water mee, want op de hoogvlakte staat geen bron; het kalkgesteente laat het water meteen wegzakken. Boven ligt de temperatuur vijf tot acht graden lager dan in het dal.
De klassieke lus begint bij Lillafüred
De bekendste dagtocht start bij Lillafüred aan het Hámori-meer, gaat langs de Szinva-waterval van ongeveer 20 meter, klimt naar de rand van de hoogvlakte en komt via het bos terug; samen is dat rond de 12 kilometer met ongeveer 400 hoogtemeters.
Lopen kost niets. Onderweg liggen de István-grot en de Anna-grot, die per stuk 2.000 tot 3.500 forint vragen en waar het 10 graden is. Vanuit Miskolc kun je met het smalspoortreintje naar het startpunt, voor 1.500 tot 3.000 forint retour. Reken op vijf tot zes uur inclusief de stops.
De Istállós-kő is het hoogste punt van het gebergte
Vanaf Szilvásvárad aan de zuidkant loopt een route naar de Istállós-kő op 959 meter, met ongeveer 500 hoogtemeters en vier tot vijf uur heen en terug. Het pad gaat door de Szalajka-vallei, waar het water over een reeks kalktufterrassen naar beneden loopt.
Wandelen is gratis; het smalspoortreintje door de vallei kost 1.500 tot 2.500 forint. In Szilvásvárad staat een stoeterij van Lipizzaner-paarden, te bezoeken voor 2.000 tot 3.500 forint. Dit is de meest gelopen route van het Bükk, dus in het weekend is het er in oktober druk.
In het Zemplén loop je naar een burcht op een vulkaanrots
Het Zemplén-gebergte in het oosten is vulkanisch van oorsprong en lager dan het Bükk, met de Nagy-Milic op de Slowaakse grens als hoogste punt op 896 meter. De bekendste klim gaat naar de burcht van Füzér, die op een losstaande rots boven het dorp staat en deels is herbouwd.
De klim duurt twintig tot dertig minuten en de burcht kost 2.000 tot 3.500 forint entree. Rond de dorpen liggen routes van 8 tot 20 kilometer door eiken- en beukenbos. Dit gebied is stiller dan het Bükk: reken op paden waar je in een halve dag niemand tegenkomt, maar ook op minder bewegwijzering.
Boven de grot van Aggtelek loopt een karstpad
Het karstgebied van Aggtelek staat sinds 1995 op de UNESCO-werelderfgoedlijst. Boven de Baradla-grot, die met ruim 25 kilometer de langste van Hongarije is, lopen leerpaden over het kale karstplateau langs dolines en verdwijngaten waar beken de grond in lopen.
Die paden zijn gratis; de korte grotrondleiding kost rond de 2.500 forint en duurt drie kwartier tot een uur. Combineer beide: eerst boven lopen, dan onder. Het is in de grot 10 graden en buiten in juli 30, dus neem een trui mee die je de hele dag bij je hebt.
Het grotbad van Miskolctapolca is de avond van een wandeldag
In Miskolctapolca stroomt thermaal water van rond de 30 graden Celsius door natuurlijke kalksteengangen. Het is met die temperatuur geen heet bad maar een aangenaam bad, waarin je van zaal naar zaal zwemt.
Een dagkaart kost 4.500 tot 7.000 forint en het is dagelijks open, doorgaans van negen tot zeven. Reken op twee tot drie uur na een wandeldag. Let op: na een brand in 2024 is een deel van het complex verbouwd, dus controleer vooraf welke delen open zijn. Vanaf het Bükk ben je er in een halfuur.
Het Zsóry-bad bij Mezőkövesd is het grootste van de streek
Bij Mezőkövesd, 35 kilometer ten zuidwesten van Miskolc, ligt het Zsóry-bad met een reeks binnen- en buitenbassins van 30 tot 38 graden, gevoed door water dat in de jaren dertig bij het boren naar olie werd aangetroffen.
Een dagkaart kost 4.000 tot 6.500 forint; het is dagelijks open. In Mezőkövesd zelf zit een museum over het Matyó-borduurwerk, de felgekleurde bloemmotieven waarvan het ambacht sinds 2012 op de UNESCO-lijst van immaterieel erfgoed staat; entree rond de 1.500 forint. Sárospatak heeft eveneens een thermaalbad, handig als je in het Zemplén loopt.
Tokaj en Sárospatak zijn de rustdag ertussen
Na twee of drie wandeldagen is de wijnstreek van Tokaj de logische onderbreking. De furmint-druif wordt hier door edelrot aangetast en levert de zoete aszú; de streek staat sinds 2002 op de werelderfgoedlijst. Een proeverij kost vanaf 5.000 forint en de kelders zijn 10 tot 12 graden.
In Sárospatak staat het Rákóczi-kasteel, uitgebouwd door de familie die tweemaal een opstand tegen de Habsburgers leidde; entree 2.500 tot 4.000 forint. Rijd niet zelf na een proeverij: Hongarije kent nultolerantie voor alcohol achter het stuur en er wordt gecontroleerd.
Praktisch
Miskolc ligt op twee uur rijden van Boedapest en is met de trein in ongeveer dezelfde tijd te bereiken. Binnen de streek is een auto praktisch onmisbaar: naar de startpunten in het Bükk en het Zemplén rijdt hooguit een paar keer per dag een bus. Een huurauto kost 8.000 tot 15.000 forint per dag.
Mei, juni en september geven 18 tot 27 graden en zijn de beste wandelmaanden. Oktober levert de beukenkleuren en de wijnoogst tegelijk. In juli en augustus is het 28 tot 34 graden en loop je 's ochtends. In de winter liggen de paden onder sneeuw en zijn de baden juist op hun aangenaamst.