Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Ten zuiden van Funen ligt een verdronken landschap
Foto: Christina & Peter / Pexels
Volgens de streekbeschrijvingen telt de Zuid-Funense Archipel meer dan 55 eilanden, eilandjes en zandbanken. Het is geen gewone eilandengroep maar een ondergelopen ijstijdlandschap: wat nu water is, was ooit dal, en wat nu eiland is, was heuvelrug.
Dat verklaart de vorm. De eilanden zijn laag en langgerekt, de vaargeulen volgen de oude dalen en het water is ondiep en beschut. Voor wie wandelt of vaart is dit gebied daardoor fundamenteel anders dan de open Noordzeekust.
De Øhavsstien is 220 kilometer lang
Foto: Friedrich Wilts / Pexels
Langs die archipel loopt de Øhavsstien, met 220 kilometer een van de langste wandelroutes van Denemarken. Het pad gaat over Zuid-Funen, Tåsinge, Langeland en Ærø.
Onderweg passeer je havenstadjes als Faaborg, Svendborg en Rudkøbing, waar je kunt overnachten en boodschappen doen. De route is gemarkeerd en volgt zoveel mogelijk de kust, dus je loopt vrijwel altijd met water in zicht. Bij Faaborg klimt hij het binnenland in, over de heuvels van de Svanninge Bakker.
Je hoeft niet alle 220 kilometer te lopen
De route is in etappes opgedeeld, met dagstukken van tien tot twintig kilometer tussen plaatsen waar je kunt slapen. Veel wandelaars doen een paar etappes en varen de rest.
Dat kan hier, want de veerboten verbinden de eilanden onderling. Je loopt bijvoorbeeld een dag op Ærø en vaart terug naar Funen. Reken op vier tot vijf uur voor een etappe van vijftien kilometer, want de route gaat over ongelijk terrein en niet over asfalt.
Ærø bereik je alleen met de boot
Foto: Wolfgang Weiser / Pexels
Naar Ærø varen de veerboten van Ærøfærgerne vanuit Svendborg, Faaborg en Rudkøbing op Langeland; de overtocht duurt 60 tot 75 minuten, afhankelijk van de route. Op de lijn naar Fynshav vaart bovendien de Ellen, sinds 2019 de eerste volledig elektrische autoveerboot ter wereld.
Neem je de auto mee, reserveer dan vooruit: in juli en augustus zitten de afvaarten vol en sta je anders een boot of twee te wachten. Zonder auto is het eiland goed te doen; Ærøskøbing heeft een bewaarde achttiende-eeuwse kern die je in een uur rondloopt.
Marstal leefde van de zeilvaart
Aan de oostkant van Ærø ligt Marstal, dat in de negentiende eeuw een van de grootste zeilvloten van Denemarken had. Die geschiedenis is nog zichtbaar in de kapiteinshuizen en in het Maritiem Museum van het stadje.
Dat museum is met kinderen een van de weinige binnenactiviteiten op het eiland, met scheepsmodellen, portretten van schepen en spullen die zeelieden van hun reizen meebrachten. Entree kost 8 tot 14 euro en het is doorgaans van tien tot vijf open. Reken op anderhalf uur.
Egeskov staat met zijn muren in het water
Egeskov Slot op Funen werd in 1554 voltooid en geldt als een van de best bewaarde renaissancewaterburchten van Noord-Europa; de muren rijzen rechtstreeks uit een meer op, op een fundering van duizenden eikenstammen.
Om het slot heen liggen tuinen, een doolhof en verzamelingen oldtimers en vliegtuigen. Dat maakt het een dag in plaats van een uur. Entree kost 25 tot 35 euro en het is van april tot oktober open van tien tot vijf. Let op: dit is de drukste bestemming van het eiland, dus kom vroeg of buiten de vakantieweken.
Dit water is geschikt om te leren zeilen
Foto: Christian Himmel / Pexels
De archipel ligt beschut achter de eilanden en de afstanden tussen de havens zijn kort, doorgaans vijf tot vijftien kilometer. Je vaart er dus nooit ver van een haven vandaan.
Een oversteek van vijftien kilometer kost met een zeilboot twee tot drie uur, dus je bent altijd voor het donker binnen. Daarom zitten hier veel zeilscholen en botenverhuurders. Let op: het is ondiep, want buiten de betonde geulen staat op veel plekken minder dan twee meter water, en een onbekende zandbank is hier het grootste risico.
Enebærodde is een zandtong van vijf kilometer
Ten noorden van de fjord van Odense steekt Enebærodde als een smalle landtong ongeveer vijf kilometer de zee in, met een vuurtoren aan het eind.
Het is een route heen en terug, want er is geen doorgaande weg. Reken op drie uur voor de hele tocht. Het gebied is beschermd, er lopen grazers en honden moeten aangelijnd; in het broedseizoen zijn delen afgesloten. Parkeren kost een paar euro bij de slagboom, want auto's mogen het laatste stuk niet op.
Er zijn kliffen, maar ze zijn laag
Foto: alona sees / Pexels
Wie bij een kustwandeling aan hoge kliffen denkt, moet de verwachting bijstellen. De steilkusten van Funen zijn hooguit dertig meter hoog en bestaan uit ijstijdafzettingen van meer dan tienduizend jaar oud, niet uit steen.
Ze brokkelen ook af, waardoor een pad langs de rand na een natte winter verlegd kan zijn. Blijf van de rand af en volg de markering. De mooiste stukken liggen bij Fyns Hoved op de noordpunt en bij Helnæs in het zuidwesten; aan de Kleine Belt bij Middelfart en Strib zwemmen bruinvissen vlak onder de kust.
Wanneer je komt en waar je op let
Mei tot en met september is het wandelseizoen, met 15 tot 22 graden. Het getijverschil is hier maar enkele decimeters, dus dat bepaalt je dag niet; de wind wel, want de kust ligt open en er is weinig beschutting.
Buiten dat seizoen varen de veerboten minder vaak en is een deel van de overnachtingsadressen langs de route dicht. Controleer bij een meerdaagse tocht vooraf de dienstregeling, want een gemiste boot betekent hier een dag verschil.