Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Boedapest bestaat pas sinds 1873 als één stad
Boeda op de heuvels van de westoever en Pest op de vlakke oostoever werden in 1873 samen met Óbuda tot één stad samengevoegd; daarvoor waren het afzonderlijke steden met een eigen bestuur. In Óbuda liggen de resten van Aquincum, de Romeinse stad die hier al in de tweede eeuw stond, met een amfitheater dat gewoon tussen de flats ligt.
Dat verschil tussen Boeda en Pest voel je nog steeds: heuvels, rust en villa's aan de ene kant, rasterstraten en cafés aan de andere. Dit artikel behandelt de stad en de rest van Hongarije, met entreeprijzen, openingstijden en reistijden.
Het parlementsgebouw is ruim tweehonderdzestig meter lang
Het gebouw aan het Kossuth Lajos-plein aan de Donau werd volgens het parlementsbestuur in 1904 voltooid, meet ongeveer 268 meter en telt bijna zevenhonderd vertrekken. Binnen ligt de Heilige Kroon van Szent István, die eeuwenlang bij de kroning van de Hongaarse koningen werd gebruikt.
Een rondleiding kost 4.000 tot 13.000 forint, waarbij inwoners van de Europese Unie minder betalen dan anderen; boek online, want de Engelstalige rondleidingen zijn dagen vooruit vol. Reken op 45 minuten.
De Burchtheuvel en de Donau-oevers staan op de werelderfgoedlijst
De Burchtheuvel met het Koninklijk Paleis, de Matthiaskerk en het Vissersbastion staat sinds 1987 samen met de oevers van de Donau op de UNESCO-werelderfgoedlijst. In het paleis zitten de Nationale Széchényi Bibliotheek en de Hongaarse Nationale Galerij; het Vissersbastion uit 1902 heeft zeven torens, één voor elke stam die het land stichtte.
Buiten rondlopen is gratis; het bastion vraagt op het bovenste deel 1.200 tot 2.500 forint. De Sikló-kabelbaan uit 1870 brengt je vanaf de Kettingbrug omhoog voor 3.000 tot 5.000 forint retour, of je loopt in 15 minuten. In de Matthiaskerk, met haar dak van Zsolnay-tegels, kost entree 2.500 tot 4.000 forint.
De baden zijn geen wellness maar openbare zwembaden
Het Széchenyi-bad in het Városliget heeft achttien bassins van 27 tot 38 graden, gevoed door een bron van rond de 75 graden; er zwemmen banenzwemmers naast toeristen en er wordt in het buitenbad geschaakt.
Een dagkaart kost 10.000 tot 13.000 forint en het is dagelijks van 7.00 tot 20.00 uur open. Neem badslippers, een handdoek en een badmuts voor de banen mee; ter plekke huren kost het dubbele. Ga voor 10.00 uur, want daarna komen de groepen. De Gellért-baden aan de andere oever zijn kleiner, uit 1918 en met glas-in-lood.
De Donauknie ten noorden van de stad is een dagtocht
Op 20 tot 60 kilometer stroomopwaarts maakt de Donau een scherpe bocht tussen twee heuvelruggen. Aan die Donauknie liggen Szentendre met zijn barokke gevels en de Blagovestenska-kerk, Visegrád met de paleisruïnes en de citadel, en Esztergom.
De HÉV-voorstadstrein rijdt in 40 minuten naar Szentendre en kost 1.000 tot 1.500 forint; boten doen er anderhalf uur over en kosten 3.000 tot 6.000 forint per rit. In Szentendre staat het Margit Kovács-museum met keramiek en aan de rand het Skanzen, het grootste openluchtmuseum van het land. In Esztergom staat de grootste kerk van Hongarije, waarvan je de koepel tegen betaling van enkele duizenden forint kunt beklimmen.
Het Balatonmeer heet de Hongaarse zee omdat het land geen kust heeft
Het Balatonmeer in het westen beslaat ongeveer 594 vierkante kilometer en is gemiddeld 3,3 meter diep, waardoor het water in de zomer 24 tot 27 graden haalt.
Met de trein ben je er vanuit Boedapest in anderhalf tot twee uur voor 2.500 tot 4.000 forint. Strandbaden kosten 1.000 tot 3.000 forint. De zuidoever is ondiep en druk met gezinnen, de noordoever heeft de heuvels, de wijngaarden en het schiereiland Tihany met de abdij uit 1055, waarvan de stichtingsoorkonde het oudste document met Hongaarse woorden erin is.
Eger ligt op twee uur rijden en heeft een dal vol kelders
Bij Eger ligt de Szépasszony-vallei, waar tientallen kelders in de zachte steen zijn uitgehakt en waar de makers zelf schenken. De bekendste wijn is de Egri Bikavér, het Stierenbloed.
Een glas kost 300 tot 800 forint en een fles 2.000 tot 6.000. De kelders zijn doorgaans van 11.00 tot 20.00 uur open. Vanuit Boedapest rijd je er in twee uur heen over 140 kilometer; de trein doet er ruim twee uur over. In de stad staat het Eger-kasteel dat in 1552 een Ottomaans beleg doorstond, en een minaret van 40 meter met 97 treden, de noordelijkste die van de Ottomanen in Europa bewaard is gebleven. Neem een bestuurder mee die niet drinkt: hier geldt een nultolerantie voor alcohol achter het stuur.
De Hortobágy in het oosten is werelderfgoed
De poesta van de Hortobágy geldt als de grootste aaneengesloten natuurlijke graslandvlakte van Europa en staat sinds 1999 op de werelderfgoedlijst; er lopen kudden Hongaarse grijze runderen en racka-schapen met rechte gedraaide hoorns.
Entree tot de bezoekersdelen kost 2.000 tot 5.000 forint en huifkarritten kosten hetzelfde. Vanuit Boedapest rijd je er in twee en een half uur heen over 200 kilometer. In oktober en november trekken hier tienduizenden kraanvogels over. Zuidelijker ligt bij de Tisza een vergelijkbaar landschap in het Kiskunság-park, dat dichter bij de hoofdstad ligt.
Het Bükkgebergte is het koelste deel van het land
Het Bükkgebergte in het noorden komt met de Istállós-kő tot 959 meter en is vrijwel geheel bebost, met kloven, watervallen en een smalspoortreintje dat vanaf Lillafüred het dal in rijdt.
De paden zijn gratis, het treintje kost 1.500 tot 3.000 forint retour. Reken op routes van 6 tot 15 kilometer. In juli en augustus is het er 5 tot 8 graden koeler dan in de vlakte, wat het tot de beste uitwijkplek maakt als het in de stad 35 graden wordt. Bij Lillafüred liggen de István-grot met druipsteen en verderop bij Aggtelek het Baradla-Domica-stelsel, dat sinds 1995 op de werelderfgoedlijst staat.
Pécs en Szeged liggen in het zuiden
Pécs op 200 kilometer ten zuiden van Boedapest heeft op het hoofdplein de Gazi Kasim Pasha-moskee uit de zestiende eeuw, die nu een katholieke kerk is, en daaronder de vroegchristelijke grafkamers van Sopianae uit de vierde eeuw, sinds 2000 werelderfgoed. Ook staat er het kwartier van de Zsolnay-fabriek, van het keramiek dat je door het hele land op daken ziet liggen.
Szeged aan de Tisza werd in 1879 door een overstroming vrijwel weggevaagd en daarna in één keer opnieuw opgezet, met een ringstructuur en de Votiefkerk als middelpunt. Naar beide steden rijd je in twee tot drie uur; entreeprijzen liggen tussen 1.500 en 4.000 forint per bezienswaardigheid.
Praktisch
Vanuit Nederland vlieg je in twee uur; met de auto ben je elf tot dertien uur onderweg en heb je een digitaal snelwegvignet nodig van rond de 15 euro voor tien dagen. Hongarije betaalt met de forint, rond de 400 voor een euro.
Mei, juni en september geven 22 tot 28 graden; juli en augustus lopen op naar 32 tot 36 graden en dan is de stad benauwd. Kaartjes voor het openbaar vervoer koop je per rit of per dag, 1.100 tot 2.500 forint, en die moet je voor het instappen stempelen; de controleurs staan bij de roltrappen van de metro en beboeten ter plekke.