Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Hajdú-Bihar ligt in de Grote Laagvlakte en kent geen wijnstreek
Hajdú-Bihar beslaat ongeveer 6.200 vierkante kilometer in het oosten van Hongarije, tegen de Roemeense grens, en is vlak: het hoogteverschil in de hele provincie bedraagt enkele tientallen meters. De naam komt van de hajdú-strijders, soldaten die vorst István Bocskai in 1605 met duizenden tegelijk in deze streek vestigde en grond en privileges gaf; daarom beginnen zoveel plaatsnamen hier met Hajdú.
Eén hardnekkig misverstand vooraf: er is hier geen officiële wijnstreek. Hongarije kent tweeëntwintig erkende wijngebieden en geen daarvan ligt in deze provincie; de dichtstbijzijnde ligt ruim honderd kilometer noordelijker. Dit artikel behandelt de baden, de vlakte en Debrecen, met prijzen, openingstijden en afstanden.
Het badencomplex van Hajdúszoboszló ontstond door een misboring
In Hajdúszoboszló werd in 1925 naar aardgas geboord en kwam op ruim 1.000 meter diepte water van rond de 75 graden Celsius omhoog. Daaruit is het grootste badencomplex van het land gegroeid, met tientallen bassins, een aquapark en overdekte zalen.
Een dagkaart kost 5.000 tot 8.000 forint, afhankelijk van welk deel je kiest, en het is dagelijks open vanaf 8.00 uur. Let op de regel bij het geneeskrachtige water: dat is vanwege het jodium- en broomgehalte verboden voor kinderen onder de veertien jaar. Die zwemmen in de gewone bassins en het aquapark ernaast.
De Hortobágy is geen oernatuur maar door mensen gemaakt
De vlakte die als het Hongaarse Serengeti wordt aangeprezen, is ontstaan door eeuwen van houtkap en door het rechttrekken van de rivieren in de negentiende eeuw, waardoor het gebied verdroogde en verziltte. Juist daarom staat de Hortobágy sinds 1999 op de werelderfgoedlijst van UNESCO, en wel als cultuurlandschap en niet als natuurgebied.
Toegang tot het park is gratis; voor de afzonderlijke onderdelen betaal je 1.500 tot 3.000 forint. Het is het oudste nationale park van Hongarije, ingesteld in 1973, en beslaat ruim 800 vierkante kilometer van de Alföld.
In oktober en november slapen hier tienduizenden kraanvogels
Tijdens de najaarstrek strijken volgens het parkbestuur op de ondiepe visvijvers van de Hortobágy tot ver boven de honderdduizend kraanvogels neer. Ze vliegen bij zonsopgang uit en komen tegen zonsondergang terug, en dat is het schouwspel.
Begeleide uitkijktochten kosten 4.000 tot 8.000 forint per persoon en vertrekken in het najaar dagelijks in de late middag. Reserveer vooruit, want het aantal plaatsen is beperkt. Neem een verrekijker mee en warme kleding: het is dan 5 tot 12 graden en op de vlakte staat altijd wind.
De stenen brug uit 1833 heeft negen bogen
Midden op de vlakte bij het dorp Hortobágy ligt een brug van 167 meter over de gelijknamige rivier, gebouwd tussen 1827 en 1833, en daarmee de langste stenen wegbrug van het land. Ernaast staat een herberg uit 1781 waar de veedrijvers overnachtten.
Er is geen entree en de brug is dag en nacht toegankelijk. In het dorp staan een herdersmuseum en een stal met de plaatselijke rassen: het grijze steppenrund en het racka-schaap met de spiraalvormige hoorns. Entree daar kost rond de 2.000 forint. Vanaf Hajdúszoboszló rijd je er 40 kilometer heen, drie kwartier. Balmazújváros halverwege heeft een eigen thermaalbad.
Debrecen is de tweede stad van Hongarije
Met ongeveer 200.000 inwoners is Debrecen de grootste stad van het oosten. De Grote Kerk uit 1821 aan het Kossuth-plein is het gebouw waar Lajos Kossuth in april 1849 de Hongaarse onafhankelijkheid uitriep; de stad was toen enkele maanden regeringszetel.
Toegang tot de kerk kost rond de 1.500 forint en de toren is te beklimmen; het is van maandag tot zaterdag open van 9.00 tot 17.00 uur. In het Déri-museum even verderop hangt de trilogie van Mihály Munkácsy over het lijdensverhaal, drie doeken van elk enkele meters breed, waarvoor je rond de 3.000 forint betaalt. Aan hetzelfde plein staat het Csokonai-theater uit 1865.
Achter de stad ligt het Nagyerdő met een eigen badhuis
Ten noorden van het centrum ligt het Nagyerdő, een bos van ruim 1.000 hectare met daarin het Nagyerdei-badencomplex uit de jaren dertig, een dierentuin en de universiteit. Er rijdt een tram van het centrum naartoe.
Een badkaartje kost rond de 4.000 forint en de dierentuin rond de 3.500 forint; beide zijn dagelijks open van 9.00 tot 18.00 uur. Een ritje met de tram kost enkele honderden forint. Dit is het aangenaamste deel van de stad om een middag door te brengen en het scheelt de rit naar Hajdúszoboszló.
De streek staat bekend om stevig eten, niet om verfijnde keuken
Wat je hier eet komt uit de veeteelt van de vlakte: gestoofd rund met paprika, gebakken brooddeeg met knoflook en zure room, en een gevulde koolschotel. Een hoofdgerecht kost in een dorpsrestaurant 2.500 tot 4.500 forint.
Let op: vegetarisch eten is buiten Debrecen lastig, en de worst die naar deze stad is genoemd wordt hier juist minder gegeten dan in het westen van het land. Vraag in de dorpen naar de dagschotel; die staat vaak niet op een kaart maar op een bordje bij de deur, en wordt doorgaans van 11.30 tot 14.00 uur geserveerd voor 1.800 tot 2.500 forint.
Praktisch
Vanuit Nederland vlieg je in ongeveer twee uur op Boedapest; vanaf daar rijdt de trein in tweeënhalf uur naar Debrecen, 230 kilometer. Debrecen heeft zelf ook een kleine luchthaven met een beperkt aantal verbindingen. Hongarije betaalt met de forint en niet met de euro; pinnen kan vrijwel overal, maar op dorpsmarkten heb je contant geld nodig.
Mei tot september geeft 22 tot 32 graden en de vlakte is dan droog en heet. Juli en augustus lopen regelmatig boven de 35 graden op, wat de baden juist druk maakt. September en oktober zijn met 15 tot 24 graden het aangenaamst, en dan begint ook de vogeltrek.