Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Gödöllő en Szentendre liggen aan weerszijden van Boedapest
Deze twee bestemmingen worden vaak in één adem genoemd, maar ze liggen aan tegenovergestelde kanten van de hoofdstad: Gödöllő 30 kilometer oostelijk, Szentendre 20 kilometer noordelijk aan de Donau. Onderling zijn ze ruim vijftig kilometer van elkaar verwijderd, dus combineer ze niet op één dag.
Beide zijn met het openbaar vervoer vanuit Boedapest in drie kwartier te doen. Dit artikel behandelt ze allebei, met entreeprijzen, openingstijden en afstanden. Prijzen staan in forint, met rond de 400 forint voor een euro.
Het Grassalkovich-paleis is het grootste barokke paleis van het land
In Gödöllő staat het paleis dat graaf Antal Grassalkovich vanaf 1735 liet bouwen, met ruim honderd vertrekken rond een dubbele binnenplaats. Het is daarmee het grootste barokke paleis van Hongarije. In de twintigste eeuw is het als kazerne en bejaardenhuis gebruikt en zwaar verwaarloosd; sinds 1990 wordt het gerestaureerd, vleugel voor vleugel.
Entree kost 3.000 tot 5.000 forint en het paleis is van dinsdag tot zondag open, doorgaans van tien tot zes. Reken op twee uur voor de vertrekken en de tuin. In de zomer worden er concerten in de balzaal gegeven, met kaarten van 4.000 tot 10.000 forint.
Keizerin Elisabeth verbleef hier liever dan in Wenen
Na de Oostenrijks-Hongaarse compromisregeling van 1867 werd het paleis de Hongaarse residentie van keizer Frans Jozef en keizerin Elisabeth, in Hongarije Sisi genoemd. Zij leerde Hongaars, omringde zich met Hongaarse hofdames en bracht er volgens de museumgids liever haar tijd door dan aan het Weense hof.
Haar vertrekken zijn ingericht zoals ze waren, met paarse stoffering, haar werkkamer en de gymnastiekruimte die ze liet inbouwen. Dat zit bij de entree in. In de stad staat ook een museum over de kunstenaarskolonie die hier rond 1900 werkte; entree rond de 1.500 forint.
De heuvels van Gödöllő horen niet bij het Cserhát
Dat is een fout die in reisteksten rondgaat: de Gödöllői-heuvels vormen een eigen heuvelland ten oosten van Boedapest en maken geen deel uit van het Cserhát-gebergte, dat verder noordelijk in Nógrád ligt. Het hoogste punt hier komt niet boven de 350 meter.
Het gebied is sinds 1990 landschapsbeschermingsgebied, met eiken- en dennenbossen, open zandruggen en gemarkeerde paden. Wandelen is gratis; reken op lussen van 8 tot 15 kilometer met weinig hoogteverschil. Dit is wandelgebied voor een halve dag, geen bergland: wie hoogte zoekt, rijdt door naar het Pilis of het Börzsöny.
Rond Gödöllő kun je ook paardrijden en fietsen
Op de open plekken tussen de bossen liggen maneges die buitenritten aanbieden; een rit van een uur kost 6.000 tot 12.000 forint en gaat op afspraak. Door de heuvels lopen bovendien onverharde wegen die als fietsroutes zijn uitgezet.
Fietsen huren kost 3.000 tot 6.000 forint per dag in Gödöllő. Let op: na regen zijn de zandwegen zwaar en blijft de modder aan de banden plakken; met een racefiets kom je hier niet ver. De voorstadstrein vanuit Boedapest neemt fietsen mee tegen een kleine toeslag.
In Szentendre bouwden Servische vluchtelingen barokke kerken
Szentendre kreeg in de achttiende eeuw een grote Servische gemeenschap, die voor de Ottomanen was gevlucht. Zij bouwden er orthodoxe kerken waarvan er nog verscheidene staan; de Belgradokathedraal met haar iconostase is de belangrijkste en heeft een museum met iconen en kerkelijke kunst.
Entree voor kerk en museum kost 1.500 tot 3.000 forint, doorgaans van dinsdag tot zondag. Rondlopen door het centrum is gratis. Vanaf de kerk op de heuvel midden in het dorp kijk je over de daken en de Donau; dat punt is vrij toegankelijk en het rustigst voor tien uur 's ochtends.
Het dorp heeft meer musea dan een dorp doorgaans heeft
Szentendre trok vanaf het begin van de twintigste eeuw kunstenaars aan en dat zie je aan de musea: het Ferenczy Museum met werk van de schilder Károly Ferenczy en zijn familie, een museum voor de keramiek van Margit Kovács in een oud koopmanshuis, en een marsepeinmuseum met figuren van suiker en amandelspijs.
Entree ligt per museum tussen 1.500 en 3.000 forint en ze zijn van dinsdag tot zondag open. Reken op een uur per museum. Let op: in het weekend en in juli en augustus is het in de smalle straatjes vol met dagjesmensen uit de hoofdstad; doordeweeks is het er aanmerkelijk rustiger.
Aan de rand ligt het grootste openluchtmuseum van Hongarije
Drie kilometer buiten Szentendre ligt het Skanzen, waar complete boerderijen, kerken, molens en werkplaatsen uit alle Hongaarse streken zijn heropgebouwd op ongeveer zestig hectare, ingedeeld per landsdeel.
Entree kost 3.000 tot 4.500 forint en kinderen betalen minder; het is van dinsdag tot zondag open, van april tot oktober, en daarbuiten beperkt. Reken op een halve dag. Over het terrein rijdt een treintje, wat helpt, want de afstanden tussen de dorpsdelen zijn groot. Er zijn ambachtsdagen waarop wordt gesmeed, geweven en gebakken.
Praktisch
Naar Szentendre rijdt de HÉV-voorstadstrein vanaf Boedapest in veertig minuten voor rond de 1.000 forint; in het zomerseizoen varen er ook boten over de Donau, die er anderhalf uur over doen. Naar Gödöllő rijdt een andere voorstadstrein in drie kwartier. Voor de heuvels en het openluchtmuseum is een auto handig maar niet nodig; er rijdt een bus vanaf Szentendre naar het Skanzen.
April tot juni en september tot oktober geven 15 tot 26 graden en zijn het aangenaamst. In juli en augustus is het 28 tot 35 graden. In de winter is het rond het vriespunt; het paleis blijft open, het openluchtmuseum draait dan alleen op bepaalde dagen.