Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Pest is de provincie die om Boedapest heen ligt
De provincie Pest omsluit de hoofdstad aan alle kanten; Boedapest zelf hoort er bestuurlijk niet bij. Dat betekent dat alles in deze provincie binnen een uur van het centrum ligt, met voorstadstreinen en bussen die er de hele dag rijden.
Wat er te doen is, ligt vooral in het noorden: de Donauknie met Szentendre, Visegrád en Vác, en daarachter de bergen van het Pilis en het Börzsöny. Dit artikel behandelt die plekken, met entreeprijzen, openingstijden en afstanden. Prijzen staan in forint, met rond de 400 forint voor een euro.
Szentendre heeft zeven Servisch-orthodoxe kerken
Szentendre ligt 20 kilometer ten noorden van Boedapest aan de Donau. In de achttiende eeuw vestigden zich hier Serviërs die voor de Ottomanen waren gevlucht; zij bouwden barokke kerken waarvan er nog verscheidene staan, met iconostases achter de altaren. Later trok het dorp kunstenaars aan, wat de vele galeries verklaart.
Rondlopen kost niets; musea vragen 1.500 tot 3.000 forint per stuk. Aan de rand van het dorp ligt het Skanzen, het openluchtmuseum met complete boerderijen en dorpsstraten uit alle Hongaarse streken op ongeveer zestig hectare; entree 3.000 tot 4.500 forint, van dinsdag tot zondag. Reken daar een halve dag voor.
In Visegrád staan een burcht op de berg en een paleis aan de rivier
Visegrád ligt in de bocht van de Donau, 40 kilometer van de hoofdstad. Boven op de heuvel staat de burcht uit de dertiende eeuw; beneden aan de rivier liggen de resten van het koninklijke paleis dat onder Matthias Corvinus in de vijftiende eeuw tot een renaissancehof werd uitgebouwd en dat pas in de twintigste eeuw is teruggevonden.
De burcht kost 2.500 tot 4.000 forint en het paleis 2.000 tot 3.500 forint; beide zijn van dinsdag tot zondag open. Halverwege staat de Salomon-toren met een tentoonstelling over de opgravingen. Reken op een halve dag. Vanaf de burcht heb je het bekendste uitzicht van het land, recht op de bocht.
In de crypte van Vác liggen gemummificeerde lichamen
Vác ligt 35 kilometer ten noorden van Boedapest aan de oostoever en heeft een barok centrum met een triomfboog uit 1764, gebouwd voor een bezoek van keizerin Maria Theresia. In 1994 werd in de crypte van de dominicanenkerk een vergeten grafkelder gevonden met ruim tweehonderd gemummificeerde lichamen uit de achttiende eeuw, bewaard gebleven door de droge lucht.
Een deel daarvan is te zien in het Tragor Ignác Museum, samen met de beschilderde kisten; entree kost 1.500 tot 2.500 forint en het is van dinsdag tot zondag open. Reken op een uur. Voor wie dat te veel is: de promenade aan de Donau en het Március 15-plein zijn gratis en het rustigst in de ochtend.
In Gödöllő stond het favoriete paleis van keizerin Elisabeth
Gödöllő ligt 30 kilometer ten oosten van Boedapest en heeft het Grassalkovich-paleis, met ruim honderd vertrekken het grootste barokke paleis van Hongarije. Het werd na 1867 de Hongaarse residentie van keizer Frans Jozef en keizerin Elisabeth, die hier volgens de museumgids liever verbleef dan in Wenen.
Entree kost 3.000 tot 5.000 forint en het paleis is van dinsdag tot zondag open, doorgaans van tien tot zes. Reken op twee uur inclusief de tuin. Met de voorstadstrein ben je er vanaf de hoofdstad in drie kwartier voor rond de 1.000 forint.
In Ráckeve staat de oudste orthodoxe kerk van het land
Ráckeve ligt op het Csepel-eiland in de Donau, 45 kilometer ten zuiden van Boedapest. De Servisch-orthodoxe kerk daar dateert uit 1487 en is daarmee de oudste van Hongarije; de muren zijn van binnen volledig beschilderd. In hetzelfde stadje staat een barok kasteel dat in 1702 voor prins Eugenius van Savoye werd gebouwd.
De kerk vraagt rond de 1.500 forint entree en is doorgaans van dinsdag tot zondag open; het kasteel is deels hotel en het park is vrij toegankelijk. Reken op twee uur. Langs de zijarm van de Donau liggen roeiverenigingen en steigers; een kano huren kost 3.000 tot 5.000 forint per dag.
Het Pilis en het Börzsöny liggen aan weerszijden van de rivier
Het Donau-Ipoly Nationaal Park beslaat de bergen aan beide oevers: het Pilis aan de zuidkant, met kalksteen en beukenbos, en het vulkanische Börzsöny aan de noordkant, waar de Csóványos met 938 meter het hoogste punt is.
Wandelen is gratis en de routes zijn gemarkeerd; reken op 10 tot 20 kilometer en 400 tot 700 hoogtemeters per dagtocht. In het Börzsöny rijden smalspoortreintjes door de dalen voor 1.500 tot 3.000 forint. Let op: de bussen naar de startpunten rijden een paar keer per dag, dus kijk de terugreis na voordat je vertrekt.
De wijnstreek Etyek-Buda begint net buiten de provincie
Etyek zelf ligt in Fejér, net over de provinciegrens, maar de wijnstreek Etyek-Buda loopt door in Pest, met dorpen als Páty en Budajenő. De kalkbodem en de koele nachten geven druiven met veel zuur, wat de streek geschikt maakt voor de basiswijn van de Hongaarse mousserende productie.
Een proeverij kost 3.000 tot 7.000 forint en gaat doorgaans op afspraak, in het weekend ook zonder. Vanaf Boedapest is het een halfuur rijden. Rijd niet zelf na een proeverij: Hongarije kent nultolerantie voor alcohol achter het stuur en er wordt gecontroleerd.
Praktisch
Vanuit Nederland vlieg je in ongeveer twee uur op Boedapest. Vanuit de stad rijdt de HÉV-voorstadstrein naar Szentendre in veertig minuten, rijden er treinen naar Vác en Gödöllő in drie kwartier en varen er in het seizoen boten naar Visegrád en Esztergom. Voor de bergen en de wijndorpen is een auto handig; die kost 8.000 tot 15.000 forint per dag.
April tot juni en september tot oktober geven 15 tot 26 graden en zijn het aangenaamst. In juli en augustus is het 28 tot 35 graden en is het in de stad benauwd; de bergen zijn dan vijf graden koeler. In de winter is het rond het vriespunt en zijn de burchten en het openluchtmuseum beperkt open.