Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
De wijk staat sinds 1994 op de Werelderfgoedlijst
Foto: Wendy Wei / Pexels
De Alhambra en het Generalife kwamen in 1984 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Tien jaar later, in 1994, werd die inschrijving uitgebreid met het Albaicín aan de overkant van het Darro-dal.
Volgens UNESCO gaat het om een gaaf voorbeeld van middeleeuwse stedenbouw. De reden is het stratenplan. Waar de meeste Spaanse steden na de herovering opnieuw zijn ingedeeld, ligt hier het middeleeuwse Moorse patroon nog: smalle stegen die de helling volgen, doodlopende hofjes en huizen die met hun rug naar de straat staan. Je loopt dus niet door een gerestaureerde wijk maar door een bewaard gebleven wijk.
In Granada krijg je bij elk drankje een tapa
Foto: Victoriano Izquierdo / Unsplash
Dit is de stad waar de gratis tapa nog echt bestaat. Bestel je een biertje, een glas wijn of een frisdrank, dan komt daar een bordje bij dat je niet zelf kiest en niet apart betaalt.
In de rest van Spanje is dat grotendeels verdwenen; in Sevilla en Madrid rekent men tapas los af. Hier is het gebleven, mede doordat de stad tegen de 80.000 studenten telt en geen enkele bar het zich kan permitteren om als eerste te gaan rekenen. De keukens draaien hier van ongeveer 13.00 tot 16.00 uur en weer vanaf 20.00 uur. Let op dat de tapa groter en beter wordt naarmate je langer blijft zitten; de eerste is vaak de simpelste.
Drie of vier drankjes zijn hier een avondmaaltijd
Reken op ongeveer 2,50 tot 3,50 euro voor een biertje of een glas wijn, met de tapa inbegrepen. Vier daarvan verspreid over drie bars kost je een tientje of vijftien euro en dan heb je gegeten; de bars aan de Calle Calderería Nueva en rond de Plaza Larga zijn de logische keten.
Dat is de goedkoopste manier om hier te eten en tegelijk de aardigste, want je ziet meer van de stad dan vanaf één terras. Bestel niet meteen een tweede rondje in dezelfde zaak als je wilt variëren, want je krijgt dan vaak een variant van hetzelfde.
Wat er in deze streek op tafel komt
De keuken van Granada is boerenkost uit een bergprovincie, geen kustkeuken. Habas con jamón zijn tuinbonen met ham, het plato alpujarreño is een bord met gebakken ei, aardappels, bloedworst en ham uit de Alpujarra, het berggebied dat 30 kilometer ten zuiden van de stad begint, tegen de flank van de Sierra Nevada.
Twee dingen die je elders niet vindt: remojón granadino, een salade van sinaasappel, kabeljauw en olijven, en de tortilla del Sacromonte, een omelet met orgaanvlees. Die laatste is een streekgerecht waar je van moet houden en kost als volle portie meestal 10 tot 14 euro; vraag ernaar voordat je hem bestelt, want de omschrijving op de kaart is vaak vaag.
De straten zijn steil en van kiezels
Het Albaicín ligt tegen een heuvel en de straten zijn geplaveid met kleine ronde kiezels, het zogeheten Granadijnse plaveisel. Dat is mooi om te zien en lastig om op te lopen.
Vanaf de Plaza Nueva naar de Mirador de San Nicolás bovenaan klim je ongeveer 100 meter omhoog over een afstand van 800 meter, in twintig tot dertig minuten. Doe dat op schoenen met profiel en niet op gladde zolen of hakken. Een rolkoffer krijg je er niet doorheen, en dat is iets om te bedenken als je in de wijk zelf een huis huurt.
Met de minibus omhoog en te voet naar beneden
Vanaf Plaza Nueva rijdt lijn C31 de wijk in, gemiddeld om de twaalf minuten. Lijn C32 verbindt het Albaicín met de Alhambra, ongeveer elke tien minuten, en lijn C34 gaat naar Sacromonte, elke twintig minuten.
Een enkeltje kost 1,60 euro; met een vervoerskaart betaal je ongeveer 0,54 euro per rit, plus 2 euro voor de kaart zelf. Bij twee personen die een paar dagen blijven is die kaart er snel uit. De verstandige volgorde is met de bus omhoog en lopend terug, want naar beneden is de wijk een genot en naar boven een klim.
Aan de Darro staan Arabische baden uit de elfde eeuw
Foto: Javier Gonzalez / Pexels
Aan de Carrera del Darro, de straat langs het riviertje onder aan de wijk, ligt El Bañuelo. Dat zijn openbare baden uit de elfde eeuw, gebouwd in de tijd van koning Badis, en ze gelden als de best bewaarde van hun soort in Spanje.
De baden werden in 1918 tot nationaal monument verklaard en daarna hersteld. Je staat er in vertrekken met stergaten in de gewelven, waardoor het licht in bundels naar binnen valt. Het is klein en je bent er in een half uur doorheen, dus combineer het met de wandeling over de Paseo de los Tristes en langs de Casa del Chapiz.
De mooiste huizen zie je niet vanaf de straat
Het huistype van deze wijk heet carmen: een woonhuis met een ommuurde tuin, waarbij de muur aan de straat staat en het huis erachter. Vanaf de steeg zie je dus een witte muur van twee tot drie meter hoog met een deur erin, en soms een cipres die eroverheen steekt. Het type gaat terug op de Moorse buitenhuizen van voor de vijftiende eeuw.
Dat verklaart waarom de wijk van buiten gesloten aanvoelt terwijl er achter elke muur een tuin ligt. Een deel van die carmenes is nu restaurant of hotel, en dat is de enige manier om er binnen te komen. Vraag bij reservering om een tafel in de tuin en niet binnen, want daar zit het verschil.
Waar de wijk zijn water vandaan haalde
Verspreid door het Albaicín staan ruim 25 bewaarde aljibes, overdekte waterreservoirs die grotendeels uit de dertiende en veertiende eeuw stammen. Ze vingen regenwater en bronwater op voor de buurten eromheen, in een tijd dat er geen leidingwater was.
Je herkent ze aan een klein gemetseld bouwwerkje met een boogje op een pleintje of een straathoek. De meeste zijn dicht, een enkele is te bezichtigen. Ze zijn de reden dat deze wijk op een droge heuvel kon groeien, en daarmee de onzichtbare infrastructuur onder alles wat je bovengronds ziet.
's Avonds is het niet gevaarlijk maar wel donker
Foto: Victoriano Izquierdo / Unsplash
Het Albaicín heeft een reputatie die zwaarder is dan de werkelijkheid. Het echte risico is dat je verdwaalt in stegen zonder straatnaambordjes en met weinig verlichting, en dat er bij de Mirador de San Nicolás zakkenrollers werken wanneer het vol staat voor zonsondergang.
Praktisch: loop de hoofdroutes en niet de kortste weg die je telefoon aangeeft, want die stuurt je door trappen en doodlopende hofjes. Van de mirador terug naar de Plaza Nueva is het ongeveer een kilometer bergaf, via de Puerta de Elvira iets langer maar beter verlicht. Neem je telefoon niet in de hand aan de rand van het plein en reken in het donker op een half uur.