Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Bács-Kiskun is de grootste provincie van Hongarije
Bács-Kiskun ligt tussen de Donau en de Tisza op de Grote Laagvlakte en beslaat met ruim 8.400 vierkante kilometer bijna een tiende van het land; daarmee is het de grootste van de negentien Hongaarse provincies. Het is er vlak, zanderig en droog, met de meeste zonuren van het land.
Dat landschap bepaalt wat er te doen is: poesta, wijn op zandgrond en dorpen die van de landbouw leven. Dit artikel behandelt de natuur, de wijn en de steden, met entreeprijzen, afstanden en het seizoen.
Het Kiskunság Nationaal Park bestaat uit negen losse stukken
Het Kiskunság Nationaal Park werd in 1975 opgericht en beslaat ongeveer 50.000 hectare, verdeeld over negen niet-aaneengesloten gebieden met zandduinen, graslanden, moerassen en sodameren waarvan het water wit uitslaat als het opdroogt. Sinds 1979 is het ook biosfeerreservaat.
Toegang tot de meeste delen is gratis, de bezoekerscentra vragen 1.500 tot 3.500 forint. Er broeden ruim tweehonderd vogelsoorten, waaronder de grote trap, een van de zwaarste vliegende vogels ter wereld, en de bijeneter die in de zandwanden nestelt. In delen van het park lopen Hongaarse grijze runderen, racka-schapen en mangalica-varkens, rassen die hier bewust in stand worden gehouden.
Bij Bugac rijden de herders nog met vijf paarden tegelijk
Bugac is het bekendste deel van het park, op ongeveer 40 kilometer van Kecskemét. Er staat een herdersmuseum in een ronde schaapskooi en op de vlakte wordt dagelijks in het seizoen gereden door csikós, de herders in blauw hemd, die onder meer staand op twee paarden een span van vijf sturen.
Een kaartje voor de voorstelling met huifkarrit kost 4.000 tot 7.000 forint en het duurt ongeveer anderhalf uur; het seizoen loopt van april tot oktober. Let op: er is vrijwel geen schaduw op de vlakte en in juli loopt het naar 35 graden, dus ga voor elf uur of laat in de middag.
In Kecskemét staat een paleis met keramiek op de gevel
Kecskemét, met ruim 110.000 inwoners de hoofdstad van de provincie, heeft een centrum vol gebouwen uit de tijd rond 1900. Het Cifra Paleis uit 1902 is bedekt met Zsolnay-keramiek in bloemvormen; het stadhuis ernaast is ontworpen door Ödön Lechner, die de Hongaarse variant van de Secession-stijl bedacht en daarbij volksmotieven in baksteen en tegels verwerkte.
Het Cifra Paleis huisvest een museum en vraagt 1.500 tot 3.000 forint entree; het is van dinsdag tot zondag open. Kecskemét is ook de geboortestad van componist Zoltán Kodály, naar wie het muziekinstituut in de stad is genoemd, en er zit een speelgoedmuseum dat met kinderen een uur vult.
De abrikozenbrandewijn van Kecskemét is beschermd
Rond de stad liggen abrikozenboomgaarden, en de pálinka die daarvan wordt gestookt is als streekproduct beschermd: alleen brandewijn van abrikozen uit deze streek mag zo heten. Het fruit gaat zonder toevoegingen de ketel in, waardoor een fles vier tot vijf kilo abrikozen bevat.
Een proeverij bij een stokerij kost 3.000 tot 6.000 forint en een fles 6.000 tot 15.000 forint. Reken op 40 tot 50 procent alcohol; dit is geen likeur. Let op: in Hongarije geldt nultolerantie voor alcohol achter het stuur, dus spreek een bestuurder af die niets drinkt.
De wijnstokken hier overleefden de druifluis dankzij het zand
De Kunsági wijnstreek is volgens het Hongaarse wijninstituut met ruim twintigduizend hectare de grootste van Hongarije. De bodem bestaat uit los zand, en juist dat heeft de streek gered: toen de druifluis rond 1880 de Europese wijnbouw wegvaagde, kon het insect zich in zand niet handhaven, waardoor hier op eigen wortel werd doorgeplant terwijl elders alles moest worden geënt.
De witte druiven cserszegi fűszeres en ezerjó geven frisse, fruitige wijnen; de rode kadarka hoort van oudsher bij de streek. Een proeverij kost 2.500 tot 6.000 forint en een fles 1.500 tot 4.000 forint. De wijnhuizen liggen verspreid tussen de dorpen, dus reken op een auto.
In Hajós staan ruim duizend wijnkelders zonder bewoners
Bij Hajós, in het zuidwesten van de provincie, ligt een kelderdorp van meer dan twaalfhonderd witgekalkte kelderhuisjes op een terrein waar niemand woont. Ze zijn vanaf de achttiende eeuw gebouwd door Duitse kolonisten die hier hun wijn maakten en bewaarden, en staan in straatjes met namen alsof het een echt dorp is.
Rondlopen is gratis. Veel kelders zijn privébezit en alleen open tijdens de wijnfeesten of op afspraak; een handvol schenkt doorgaans in het weekend, met een glas voor 300 tot 800 forint. Het dorp ligt 60 kilometer van Kecskemét, ongeveer een uur rijden.
Kalocsa leeft van de paprika en Baja van de vissoep
Kalocsa aan de Donau is het paprikacentrum van het land, met een paprikamuseum waar het hele proces van drogen en malen wordt getoond, en met het borduurwerk in felle bloemen waar de streek om bekendstaat. Entree kost rond de 1.500 forint.
Baja, 30 kilometer zuidelijker aan dezelfde rivier, is bekend van de bajai halászlé, een vissoep van riviervis met veel paprika waarbij de noedels apart worden geserveerd. In juli draait er een festival waarbij op het centrale plein honderden ketels tegelijk boven het vuur hangen. Een kom in een restaurant kost 2.500 tot 4.000 forint.
Sándor Petőfi is hier geboren en opgegroeid
De nationale dichter van Hongarije, Sándor Petőfi, werd op 1 januari 1823 geboren in Kiskőrös, in het midden van deze provincie; zijn geboortehuis is een museum. Zijn jeugd bracht hij door in Kiskunfélegyháza, 40 kilometer oostelijker, waar het ouderlijk huis eveneens te bezoeken is.
Beide musea vragen 1.000 tot 2.000 forint en zijn van dinsdag tot zondag open. Reken op drie kwartier per huis. Petőfi schreef het gedicht dat op 15 maart 1848 de revolutie inluidde en verdween in 1849 op het slagveld; dat maakt deze twee huizen tot plekken waar Hongaren zelf komen, en dat merk je aan het publiek.
Praktisch
Kecskemét ligt 85 kilometer ten zuidoosten van Boedapest, ongeveer een uur over de snelweg; er rijden ook treinen die er anderhalf uur over doen voor rond de 2.500 forint. Voor het park, de kelderdorpen en Kalocsa is een auto nodig, want het openbaar vervoer tussen de dorpen is schaars. Hongarije betaalt met de forint en op de snelweg heb je een digitaal vignet nodig.
Mei, juni en september geven 22 tot 28 graden en zijn het aangenaamst. In juli en augustus loopt het op de vlakte naar 33 tot 38 graden zonder schaduw. In de winter is het er guur en mistig en zijn de meeste bezoekerscentra en kelders dicht.