Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
De Dolomiti Lucane zijn scherpe rotspunten midden in de regio
Deze rij zandsteenpunten in het regionale park Gallipoli Cognato steekt boven de beboste heuvels uit en dankt zijn naam aan de vorm, niet aan de ligging: met de echte Dolomieten in het noorden heeft het niets te maken. De dorpen Castelmezzano en Pietrapertosa liggen op 750 en 1.088 meter tegen de rotsen aan.
Tussen beide loopt het Pad van de zeven stenen, ongeveer 2 kilometer door het dal met zeven installaties langs de route; heen en terug is dat twee tot drie uur, met een stevige klim aan beide kanten. Wandelen kost niets. Italië betaalt met de euro. Let op: de afdaling is steil en na regen glad.
De hoogste top van het Pollino is de Serra Dolcedorme
Je leest vaak dat de Monte Pollino met 2.248 meter de hoogste is, maar de Serra Dolcedorme ernaast haalt 2.267 meter en is daarmee de hoogste van het massief. Beide routes beginnen doorgaans bij Colle Impiso op ongeveer 1.400 meter.
Naar de Monte Pollino is het vijf tot zes uur heen en terug, naar de Serra Dolcedorme zeven tot acht. Bij helder weer zie je vanaf boven zowel de Tyrreense als de Ionische Zee. Let op: boven de boomgrens is er geen water en geen beschutting, het weer slaat 's middags om en de paden zijn matig gemarkeerd; ga met kaart en vroeg op de dag.
Langs de Sinni loopt een vlakke route door het dal
Foto: Salvatore Monetti / Pexels
Deze rivier ontspringt in het Pollino-massief en stroomt oostwaarts naar de Ionische Zee. In het bovenste deel, bij San Severino Lucano, lopen paden langs het water door beukenbos, met dagetappes van 5 tot 12 kilometer en weinig hoogteverschil; dat maakt ze geschikt als je de toppen te zwaar vindt.
Verderop is de rivier afgedamd tot het meer van Monte Cotugno, waarvan de aarden dam van ruim 1.800 meter als een van de grootste van Europa geldt. Langs de route liggen picknickplaatsen en in de dorpen zijn eenvoudige eetgelegenheden waar een maaltijd 15 tot 25 euro kost. Toegang tot het park is gratis.
Craco en Aliano liggen niet in de Dolomiti Lucane
Deze twee plaatsen worden vaak bij dit gebergte gerekend, maar ze liggen 50 tot 60 kilometer zuidoostelijker in het kleilandschap van de Calanchi, dat er geologisch niets mee te maken heeft. Craco werd in 1963 na een aardverschuiving ontruimd en is nu alleen met gids en helm te bezoeken, voor rond de 12 euro.
Aliano is bovendien niet verlaten: er wonen nog enkele honderden mensen. Het is het dorp waar de schrijver Carlo Levi in 1935 door het fascistische bewind heen werd verbannen; zijn huis is museum. Wil je beide gebieden zien, dan zijn dat twee aparte dagen, want tussen de Dolomiti Lucane en Craco zit ruim een uur rijden.
Het Pollino-park beslaat bijna tweeduizend vierkante kilometer
Foto: Salvatore Monetti / Pexels
Met ongeveer 1.925 vierkante kilometer is dit het grootste nationale park van Italië; het ligt voor iets minder dan de helft in Basilicata en voor de rest in Calabrië. Binnen het park liggen hoogvlakten, beukenbossen, kloven en dorpen waar Albanees wordt gesproken door nakomelingen van vluchtelingen uit de vijftiende eeuw.
De routes lopen van vlakke lussen van 3 kilometer bij de bezoekerscentra tot dagtochten over de kam. Toegang is gratis, een gids kost 20 tot 40 euro per persoon. Let op: het seizoen op de hoogste delen begint pas in juni, want tot dan ligt er sneeuw, en in juli en augustus is het in de dalen boven de 35 graden.
De Bosnische den groeit op kale rots en wordt eeuwenoud
Deze den met zijn geschubde bast is het symbool van het park en groeit op plekken waar vrijwel niets anders wortelt, tussen 1.500 en 2.200 meter. De bomen worden door wind en ijs vervormd tot grillige vormen en blijven na hun dood nog decennia staan.
Van één exemplaar is de leeftijd op ongeveer 1.230 jaar geschat, waarmee het volgens de onderzoekers de oudste gedateerde boom van Europa is. De bekendste staan langs de route van Colle Impiso naar de Serra di Crispo, een tocht van vijf tot zes uur. Raak ze niet aan en klim er niet in; het hout is bros en de wortels liggen open.
Bij Castelmezzano hangt een kabel over het dal
Foto: Sergei Gussev / Pexels
Tussen Castelmezzano en Pietrapertosa lopen twee staalkabels waaraan je in een tuig van het ene dorp naar het andere vliegt, over meer dan een kilometer en met snelheden tot 120 kilometer per uur. Een enkele vlucht kost rond de 40 euro en een dubbele 80 euro.
Het loopt van april tot begin november en reserveren is nodig; er geldt een minimumleeftijd en een gewichtsgrens, en bij harde wind gaat het niet door. Wie dat niet wil, klimt in Pietrapertosa naar de resten van de burcht op de rotspunt, waar Arabische bezetters in de negende eeuw een versterking bouwden. Dat is een half uur klimmen en gratis.
In de Raganello-kloof kwamen in 2018 tien mensen om
Deze kloof van ongeveer 17 kilometer ligt aan de Calabrische kant van het park, bij Civita en San Lorenzo Bellizzi. In augustus 2018 werd een groep wandelaars er verrast door een vloedgolf na hevige regen verderop in het dal; tien mensen kwamen om.
Sindsdien mag je er alleen met een erkende gids in en wordt de kloof bij regenverwachting gesloten. Een begeleide tocht kost 35 tot 60 euro, duurt vier tot zes uur en je loopt grotendeels door het water, dus je hebt een helm, een wetsuit en stevige schoenen nodig. Ga hier nooit alleen in, ook niet bij mooi weer boven.
Over de oude driftwegen liepen de kuddes naar de hoogvlakte
Door het hele massief lopen paden die herders gebruikten om hun schapen in mei naar de bergweiden te brengen en in oktober terug naar de dalen. Een deel is nu als wandelroute bewegwijzerd en verbindt dorpen die 10 tot 20 kilometer uit elkaar liggen.
Langs die wegen staan stenen schuilhutten, drinkbakken en kleine kapellen. In een aantal dorpen wordt in de zomer het huwelijk van de bomen gevierd, een gebruik waarbij twee gekapte bomen aan elkaar worden gezet en door de mannen door het dorp worden gesleept. Een gids kost 20 tot 40 euro; zonder gids heb je hier een kaart nodig, want bewegwijzering ontbreekt vaak.
Te bezoeken druipsteengrotten liggen in het Pollino, niet in de Dolomiti Lucane
De Dolomiti Lucane hebben geen ingerichte grotten; wat je er ziet zijn uitgehakte ruimtes en schuilplaatsen in de zandsteen, onder meer onder de burcht van Pietrapertosa. Die zijn vrij toegankelijk maar niet verlicht en niet bewegwijzerd.
De echte druipsteengrotten liggen bij Latronico, aan de rand van het Pollino-park: een stelsel met zalen en kalkformaties dat met een gids te bezoeken is voor rond de 8 euro, in een tocht van ongeveer een uur. Het is er ongeveer 14 graden, dus neem een vest mee. Reserveren is buiten het zomerseizoen nodig, want de openingstijden zijn dan beperkt.