Je gaat nu naar onze boekingsengine met onze woningen of woningen van derden. Daar zie je vóór betaling de totaalprijs en de voorwaarden.
Umbrië is de enige Italiaanse regio zonder kust en zonder buitengrens
Umbrië beslaat ongeveer 8.500 vierkante kilometer en ligt volledig ingesloten door Toscane, Lazio en de Marken. Dat betekent heuvels, dalen en de uitlopers van de Apennijnen, en geen strand waar iedereen naartoe trekt.
Voor wandelaars en fietsers is dat gunstig: de paden zijn er stil, ook in augustus. Dit artikel behandelt de routes, met afstanden, hoogteverschillen, seizoenen en wat je vooraf moet weten.
Rond het Trasimeense meer ligt een fietsroute van zestig kilometer
Het Lago Trasimeno in het westen is met 128 vierkante kilometer het vierde meer van Italië, maar nergens dieper dan ongeveer zes meter. Daardoor warmt het in de zomer op tot 26 graden.
Rond het water loopt een aangegeven route van ongeveer 60 kilometer, deels over vrijliggende paden en deels over rustige wegen, met weinig hoogteverschil. Fietsverhuur kost 15 tot 25 euro per dag. Vanaf Passignano sul Trasimeno en Castiglione del Lago vaart een veerboot naar Isola Maggiore, het enige bewoonde eiland; de overtocht duurt tien tot vijfentwintig minuten en er geldt van maart tot en met oktober een aanlegbijdrage van 3 euro naast het vaarkaartje.
Tussen Assisi en Spoleto ligt een vlakke route over oud spoor
Foto: Matteo Mazza / Pexels
Door de vlakte in het midden loopt een fietsroute van ongeveer 50 kilometer die deels een opgeheven spoorlijn volgt en daardoor vrijwel vlak is. Ze verbindt Assisi via Spello en Foligno met Spoleto, verderop in het dal.
De route is gratis en het hele jaar berijdbaar. Reken op drie tot vier uur enkele reis. Terug kan met de trein, waarin een fiets voor enkele euro's mee mag. Let op: de laatste kilometers naar Assisi klimmen wel, want de stad ligt tegen de flank van de Monte Subasio.
De Monti Sibillini lopen tot 2.476 meter
Foto: Jose Rodriguez Ortega / Pexels
In de oostpunt ligt het nationale park van de Monti Sibillini, ongeveer 70.000 hectare met kalksteenbergen tot 2.476 meter op de Monte Vettore, en daartussen de hoogvlakte Piano Grande op 1.300 meter. Die vlakte kleurt eind juni en begin juli in stroken rood, blauw en geel van bloeiende linzenakkers en klaprozen.
In die weken geldt er volgens het parkbestuur een verkeersregeling met pendelbussen; met de eigen auto kom je er dan niet. Buiten die periode is het er stil. Castelluccio di Norcia, het dorp op de vlakte, werd bij de aardbeving van 2016 verwoest en wordt nog altijd herbouwd; een deel van de bergpaden eromheen is sindsdien afgesloten geweest. Ook Norcia zelf, bekend van de worst en de ham, draagt daar nog de sporen van.
Door de Valnerina lopen oude kloosterpaden
De rivier de Nera heeft in het zuidoosten een smalle vallei uitgesleten waarin abdijen en gehuchten tegen de hellingen liggen, zoals San Pietro in Valle bij Ferentillo en het dorp Scheggino aan het water. Tussen die plaatsen lopen paden die eeuwenlang de enige verbinding waren, met stijgingen van 300 tot 600 meter.
Wandelen kost niets. Een dagroute van 12 tot 15 kilometer is hier een stevige tocht vanwege het klimwerk, geen wandeling. Neem water mee: de bronnen in de gehuchten staan er wel, maar niet allemaal het hele jaar. In deze vallei zijn de dorpen klein en sluiten de winkels tussen één en vier.
De Cascata delle Marmore is door de Romeinen gegraven
Aan het eind van de Valnerina, bij Terni, stort de Nera over drie trappen 165 meter omlaag. De val is geen natuurverschijnsel maar een Romeins waterwerk uit 271 voor Christus, aangelegd om een moeras droog te leggen, en hij wordt nog altijd voor waterkracht gebruikt.
Entree kost 10 euro voor volwassenen en 7 euro voor kinderen van vijf tot negen. Let op: het water gaat op vaste tijden open en dicht, want de centrale bepaalt de toevoer; buiten die uren zie je een straaltje. Kijk de tijden na op de dag zelf en trek schoenen met grip aan, want het pad langs de val is nat en glad.
De Via di Francesco is ongeveer vijfhonderd kilometer lang
De Via di Francesco volgt het leven van Franciscus van Assisi en loopt over ongeveer 500 kilometer van Toscane naar Rome, dwars door Umbrië. Je loopt hem in etappes van 15 tot 25 kilometer, langs Gubbio, Assisi, Spoleto en Rieti.
Er bestaat een pelgrimspaspoort van enkele euro's dat je bij kloosters en herbergen laat afstempelen en waarmee je er goedkoper slaapt: 15 tot 35 euro per nacht. Het pad is gemarkeerd maar niet overal even goed; neem een offline kaart mee.
De olijfgaarden liggen op de hellingen tussen de dorpen
Op de flanken van de Monte Subasio en rond Montefalco, Todi en Spello staan olijfbomen tot ongeveer 600 meter hoogte, met daartussen paden en onverharde landwegen. Ze zijn het hele jaar toegankelijk.
De oogst valt in november; de eerste persing wordt in de dorpen op geroosterd brood geproefd, vaak tijdens een dorpsfeest en voor enkele euro's. Dat is meteen de rustigste maand van het jaar: het is dan 10 tot 16 graden, de meeste vakantiegangers zijn weg en de kleuren op de hellingen zijn op hun best. Montefalco staat bovendien bekend om zijn sagrantino, een stevige rode wijn.
Let op de kuddehonden in het hoge gebied
Foto: Vito Giaccari / Pexels
Op de hoogvlaktes van de Sibillini, boven de 1.200 meter, lopen van juni tot september kuddes van enkele honderden schapen met grote witte herdershonden erbij, die zelfstandig werken en de kudde bewaken. Ze reageren op honden en op mensen die snel naderen.
Houd zeker honderd meter afstand, loop met een boog om de kudde heen, stap af als je fietst en laat je eigen hond aangelijnd achter je lopen. Dit is geen theoretisch risico; in de zomermaanden zijn er meldingen van bijtincidenten. Verder is het in de bergen na twaalf uur vaak onweer: begin vroeg en wees voor tweeën terug onder de boomgrens.
Praktisch
Vliegen kan op Perugia, Rome of Florence, met daarna een tot tweeënhalf uur rijden; met de auto vanuit Nederland ben je dertien tot vijftien uur onderweg. Binnen de regio rijden treinen tussen Perugia, Assisi, Foligno, Spoleto en Terni, maar naar de dorpen is een auto nodig. In Italië betaal je met de euro.
April tot juni en september tot begin november zijn de beste maanden met 15 tot 26 graden. In juli en augustus loopt het in de dalen op naar 33 tot 36 graden en zijn de hooggelegen paden de enige aangename optie. In de winter valt er sneeuw boven de duizend meter.